Beroep

I’m living in a future

A future of law I want to know

Whose law can it be?

A future for you and I

‘Whose Law (Is It Anyway)’, Guru Josh, Infinity, 1990

Bo Coolsaet werd dinsdag schuldig bevonden aan verkrachting en Wout van Aert werd vrijgesproken van contractbreuk. Dat was verrassend, want alle kranten hadden op voorhand de vrijspraak voor de uroloog en de straf voor de wielrenner voorspeld. Procesjournalisten komen stilaan terecht in hetzelfde vaarwater als hun voetbalkompanen: eerst wordt lang en overtuigend de uitslag voorspeld en achteraf wordt zonder gêne met totaal tegengestelde argumentatie het anders uitgedraaide resultaat verklaard.

De Antwerpse rechter velt niet alleen een vernietigend vonnis, maar velt tegelijk de faam van Coolsaet en de ernst van het Antwerpse parket. De uroloog overtuigde substituut-procureur Kim De Laet dat het instrument waarmee hij een minderjarig meisje behandelde geen seksspeeltje was, maar een medisch instrument. De parketmagistrate etaleerde daarop haar gebrek aan kennis over penselen der liefde en vroeg prompt de vrijspraak. Ze veranderde haar mening ook niet wanneer nieuwe klachten tegen de uroloog binnenliepen. Begrijpelijk, want ze deed niet eens de moeite om ze deftig te onderzoeken. De Laet is geen onbekende in de procesjournalistiek: negen jaar geleden gaf dezelfde magistrate de ‘bottinekes’ de opdracht Jonathan Jacob te kalmeren, met zijn dood tot gevolg.

Zo verrassend de vonnissen, zo voorspelbaar de reacties van de verliezende partijen. Geen tien minuten na de uitspraak lieten hun advocaten al weten in hoger beroep te gaan. Blijkbaar staan niemand erbij stil hoe boertig dat soort gedrag is. Een rechter leest en herleest argumenten en tegenargumenten, gaat graven in de rechtsleer en de rechtspraak, is zich bewust van het effect van zijn uitspraak, wikt en weegt zijn woorden en komt tot een goed onderbouwd oordeel. Om minuten na zijn uitspraak al te horen dat zijn vonnis brolwerk is dat door een hogere rechter node moet worden rechtgezet.

In vervlogen tijden zeiden advocaten eerst het vonnis zorgvuldig te zullen onderzoeken. Toegegeven, soms was het slecht theater, maar niet zelden konden serieuze pleiters hun klanten overtuigen niet in beroep te gaan. Toen ik rechten studeerde, kreeg ik tot in den treure te horen dat een advocaat de eerste rechter moet zijn. Dat hield in dat ze hun klanten correct over het sérieux van de argumenten van de tegenpartij moesten informeren. Blijkbaar behoort die regel niet meer tot de verplichte kennis. Advocaten zijn geen eerste rechters meer, maar eerste supporters die zich meteen na de uitspraak niet naar hun studiekamer maar naar ‘De afspraak’ spoeden.

Uit mijn wetswinkeltijd herinner ik me de vele verhalen van arme huurders die, na lang aarzelen, rijke huisjesmelkers voor de rechter daagden, hopend op een rechtvaardige uitspraak. Als ze die al kregen, gingen de verhuurders prompt in hoger beroep en soms zelfs in cassatie. Niet met de bedoeling de rechtszaak te winnen, maar om de huurders financieel te dwingen af te zien van hun terechte rechtseis. Te weinig wordt erbij stilgestaan dat hoger beroep een geniepige zet kan zijn van een tegenpartij die zich financieel veel meer kan veroorloven. Ook in de 21ste eeuw kan hoger beroep een vorm van klassenjustitie zijn.

De voordelen zijn velerlei. De partijen hebben een tweede visie gekregen en moeten geen jaren op een eindbeslissing wachten. Justitie kan miljoenen besparen aan nodeloze procesvoering. De overmacht van de financieel sterksten wordt verminderd. Maar vooral: met een kamer van hoger beroep zouden de rechters in eerste aanleg zich meer gevaloriseerd voelen. Hoewel, sommigen zouden dat als een soort verkapte evaluatie van hun werk kunnen beschouwen. En we weten dat de voor het leven benoemde rechters als de dood zijn voor evaluaties.

Naschrift

Deze tekst verscheen als column in De Tijd van 30 november 2019.

Met de vraagstelling of de toegang tot hoger beroep zo gemakkelijk moet blijven als het nu is, riskeer ik de woede der goede juristen over mij te laden en uitgekreten te worden tot doodgraver van de rechtstaat. Vergeet niet dat de goede juristen dat ook zegden van de Franse wetgevers die in 1794 de gerechtelijke tortuur in de Zuidelijke Nederlanden wilden afschaffen.

Video Whose Law (Is It Anyway)

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Zon

Let’s Put Fun Back In Fundamentalism

Anders Aarum Trio, First Communion, 2006

‘Wij zijn voor het leven’, hoorde ik een CD&V-volksvertegenwoordigster zeggen in ‘De ochtend’ en ik voelde een voor mijn leeftijd zeldzame woede in mij opstijgen. Ik werd veertig jaar terug in de tijd gekatapulteerd naar een grijs-bruine parochiezaal waar ik, als lid van Mannen Tegen Seksisme, mocht zetelen in een debat over ethische kwesties. De initiatiefnemers dachten om een of andere obscure reden dat onze groep zich wilde afzetten tegen de eisen van feministen. Groot was hun verwondering toen ze hoorden dat ik er voorstander van was abortus uit het strafrecht te halen. Ook toen zei de CVP-vertegenwoordiger in het debat dat hij voor het leven was.

Ik was dus voor de dood. De christendemocraat zei dat het blijkbaar mijn levensdoel was zo veel mogelijk vrouwen ervan te overtuigen abortus te plegen. Die stuitende morele superioriteit typeerde de CVP van de vorige eeuw. Het Ethisch Reveil glooide aan de einder. De partijbonzen hadden er geen probleem mee dat ze de door hun bisschoppen opgelegde shariaversie oplegden aan andersdenkenden. De grootste partij van het land, die haar coalitiepartner moeiteloos inwisselde als die te veel noten op zijn zang kreeg, kon haar abortusstandpunt decennia opleggen aan alle Belgische vrouwen.

Stelselmatig werd in de regeringsverklaringen opgenomen dat over ethische problemen geen alternatieve meerderheden mochten worden gevormd. Wilfried Martens verzuimde dat verbod op te leggen toen hij zijn laatste regering samenstelde. Uit zijn memoires leren we dat dat geen vergetelheid was maar een hautaine misrekening: ‘In de CVP ging men er tot diep in de jaren 80 van uit dat de samenhang onder de coalitiepartners zo sterk was dat nooit een meerderheid ten gunste van abortus zou ontstaan, zelfs geen alternatieve parlementaire meerderheid.’

Toen die meerderheid er toch dreigde te komen, haalde Martens alles uit de kast om zijn regering te redden: ‘Na de goedkeuring in de Senaat (van het voorstel Lallemand-Michielsens) spoorde ik mijn partij aan om een eigen voorstel in te dienen en ik spande me in om alsnog een consensus te bereiken.’ Maar de bijna uitsluitend mannelijke CVP-top bleef hardnekkig bij zijn no pasarán-standpunt.

Martens moest met lede ogen aanzien dat de abortuswet werd goedgekeurd en kreeg er een regeringscrisis én een Koningskwestie bovenop. Hij bleef tot zijn dood een tegenstander van abortus. ‘Een losbandig leven leiden, geen voorbehoedsmiddelen gebruiken en bij zwangerschap de toevlucht nemen tot abortus, dat vind ik mensonwaardig’, schreef de voorbeeldige man in 2006.

De abortusepisode leidde bij de christendemocraten niet tot introspectie maar rancune. Een lesbische vriendin ging eind jaren 90, nadat in Gent en Antwerpen homosamenwooncontracten mogelijk waren gemaakt, bij een partijtopper pleiten voor het homohuwelijk. ‘De zon gaat toch niet minder op u schijnen als u toelaat dat ze ook op mij schijnt’, stelde ze. Ze kreeg een schamperlach en een botte nee.

De rancune werd er niet kleiner op toen de CVP in 1999 geen verwachte (en verdiende) grote verkiezingsoverwinning boekte, maar door enkele dioxinekippen vanaf de zijlijn moest toekijken hoe het geknakte riet het homohuwelijk en euthanasie invoerde en van ons vaderland een ethisch gidsland maakte. Wetenschappelijk onderzoek toont geen kloof tussen (eerder) gelovigen en (eerder) vrijzinnigen bij wie kiest voor abortus of euthanasie, maar dat is voor de CVP nog altijd geen reden om het ethische standpunt te actualiseren.

In 2019 verschilt CD&V op ethisch vlak weinig van de CVP. Nu zich een nieuwe meerderheid aftekent om abortus volledig uit het strafrecht te halen en de wettelijke termijn op te trekken tot 18 weken na de bevruchting, hoor je dezelfde christendemocratische argumenten als in 1981. Joachim Coens, lid van de partij die 45 jaar iedere discussie over abortus monddood maakte, vindt dat ethische dossiers er op een drafje worden doorgeduwd. Als hij het tot partijvoorzitter schopt, zal hij daar een breekpunt van maken bij de federale regeringsonderhandelingen. Wil iemand hem eens uitleggen dat zijn partij niet half zo belangrijk meer is als toen zijn vader als minister van Onderwijs, in een poging de ‘abortuskwaal’ te bestrijden, voorstelde om in het onderwijs een opleiding tot relatiebekwaamheid te voorzien ‘waarbij seksualiteit als een waardevolle menselijke activiteit werd gezien’?

Naschrift

Deze tekst verscheen als column in De Tijd van zaterdag16 november 2019.

Let’s Put Fun Back In Fundamentalism video: Video 

Het was een vrouwelijke CD&V-ster die de uitspraak ‘Wij zijn voor het leven’ deed. De rol van de Christendemocratische vrouwen in de abortusdiscissie is opmerkelijk… omwille van hun stilzwijgen. Toen Miet Smet in 2015 haar spijt uitsprak dat ze tegen de abortuswet stemde, geloofde ik haar. De CVP stuurde haar in de jaren tachtig naar alle abortusdebatten waar ze zich veel gematigder opstelde dan haar partijgenoten. Miet Smet wist dat er in de jaren ‘80 abortussen werden uitgevoerd in het opvangcentrum Klein Kasteeltje. ‘Zwijg erover en doe het’”, zegde ze omdat ze “zag dat die mensen in het Klein Kasteeltje eigenlijk geen toekomst hadden in ons land of niet wisten wat ze met een zwangerschap moesten aanvangen”. Hoe moeilijk die periode ligt bij de christendemocratische vrouwen valt sterk op als je de geschiedenis van Vrouw & Maatschappij op hun website leest. Geen woord over abortus. Na het lemma “1989” komt het lemma “1993”. 1990?, connais pas.

Op Twitter reageerde Siegfried Bracke op deze column met “Terecht schrijft @FVMas  in @tijd over abortusstandpunt van de CVP begin jaren 90. ‘Die stuitende morele superioriteit typeerde de CVP van de vorige eeuw.’ Juist. Alleen… Dat moreel superioriteitsgevoel is er nog altijd, in vele andere debatten. Het is alleen van kant veranderd”. Samen met Siegfried heb ik me dikwijls blauw geërgerd aan vrijzinnigen die vonden dat ze beter waren dan gelovigen omdat ze de dogma’s van godsdienst achter zich gelaten hebben en niet doorhadden welke onwetenschappelijke dogma’s ze zelf verkochten. Alleen… Dat moreel superioriteitsgevoel bij vrijzinnigen heeft bij mijn inzien er nog nooit toe geleid dat ze hun dogma’s, in wetten verpakt, oplegden aan gelovigen. Als iemand me van de onjuistheid van die mening kan overtuigen met een voorbeeld, graag.

Om alles in een mondiale contekst te zien: wat gebeurt er in de U.S.A.?

 

 

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Wetenschappelijk

Ás vezes deus exagera

(God overdrijft soms)

Ás vezes deus exagera, Milton Nascimento, Pieta, 2002

Als lezer van De Tijd houdt u van nuchtere informatie. En dus hebt u vorig weekend ongetwijfeld – net als ik – genoten van het interview met Patrick Vermeren, wiens levenswerk erin bestaat onwetenschappelijke hr-praktijken te ontmaskeren.

Patrick, zo mag ik hem noemen want we zijn kennissen, heeft pas zijn magnum opus op de wereld losgelaten. ‘A Skeptic’s HR Dictionary’, heet het kleinood. Wat heet kleinood? Het ding van 1.117 pagina’s is niet te tillen. De prijs is wel kleinodig. 125 euro is niet niets, maar het is een futiele uitgave als het je afbrengt van de idee een dure maar waardeloze MBTI-opleiding te gaan volgen.

Een week eerder had Joël De Ceulaer Patrick voor De Morgen geïnterviewd. ‘Voormalig topambtenaar Frank Van Massenhove liet veel van zijn teams zonder chef vergaderen en afspraken maken. Is dat verstandig, zulke leiderloze teams?’, vroeg De Ceuleer hem. Hij had het geluk dat Patrick hem niet direct een uppercut verkocht voor zijn onwetenschappelijke vraag – waarvoor De Ceuleer zich achteraf ruiterlijk excuseerde op Twitter – maar hij kreeg verwonderlijk genoeg een onwetenschappelijk antwoord: ‘Ik heb het altijd wat raar gevonden, die claim dat je geen leiders nodig hebt, als je zelf een sterke leider bent.’

Patrick zal lang moeten zoeken om me op de uitspraak ‘je hebt geen leiders nodig’ te kunnen betrappen. Ja, ik liet teams zonder chef over een pak zaken beslissen, maar ik ben nooit voorstander geweest van leiderloze teams. Ze zijn nodig. ‘Voor drie zaken’, stelt Patrick. ‘Eén: het coördineren van de groep. Twee: het voorkomen en oplossen van conflicten. Drie: het verdedigen van het team tegen de out-group.’ Dat onderschrijf ik volledig. En daar mag wat mij betreft aan worden toegevoegd: het bewaken van de bedrijfswaarden en het uitdragen van integriteit.

Soms heeft Patrick iets weg van Richard Dawkins, die door de felheid waarmee hij wil bewijzen dat God niet bestaat, alleen goddelozen overtuigt.

In beide interviews gaat Patrick zo hard tekeer tegen alles wat neigt naar zelfsturende teams – die hij niet echt wetenschappelijk een linkse utopie noemt, ik ken zeker vijf rechtse managers die weg zijn van Frédéric Laloux’ boek Reinventing Organisations – dat de indruk wordt gewekt dat command and control-systemen wel functioneren.

Bij de reorganisatie van de federale overheidsdienst Sociale Zekerheid koos ik voor meer autonomie en een plattere organisatie. Niet omdat het een links idee is – mocht command and control werken, dan was ik een overtuigde commander in chief geweest – maar omdat ik tot mijn scha en schande had ervaren dat directief leiderschap niet tot de gewenste resultaten leidde. Een goede leider moet constant het evenwicht zoeken tussen aansturing en participatie, moet zich constant de vraag stellen op welk niveau een beslissing moet worden genomen en moet weten wanneer een chef er beter (niet) bij is. Een goede leider is niet noodzakelijk iemand die beslist, maar iemand die zoekt naar de beste oplossing voor zijn organisatie.

15 jaar geleden waren we bij de federale overheidsdienst verwoed op zoek naar een oplossing voor het woekerende misbruik van de parkeerkaart voor mensen met een beperking. Ik vond een good practice in Denemarken, en droeg mijn mensen op het ook bij ons in te voeren. Het werd geen succes. Veel later kreeg ik te horen dat de projectgroep er nooit in had geloofd maar braaf had uitgevoerd wat de baas had bevolen. ‘Je kan de strijd alleen winnen met een digitaal systeem dat door een zelfsturende groep enthousiaste absurdistanen wordt ontwikkeld’, zei de vrouw die later aan de basis zou liggen van de ontwikkeling van de app die er nu voor zorgt dat het misbruik met bijna de helft is verminderd. Een good practice opleggen is verloren tijd. Je mensen aan een good practice laten knutselen tot ze er de trotse uitvinders van worden, kan wel werken omdat het een evenwicht is tussen aansturing en participatie.

De opdeling van leiderschap in twee kampen – je bent een voorstander van command and control óf een lover van zelfsturende teams – is even heilloos als het afschilderen van iedereen die niet voor een hard immigratiebeleid is als aanhanger van een opengrenzenbeleid. Er ligt zoveel heerlijk vruchtbare grond tussen de twee steriele polen.

Naschrift

Deze tekst verscheen als column in De Tijd van 2 november 2019.

Video Ás vezes deus exagera.

 

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

(Geen) Dotjes

Veuillez rester poli ou j’appelle la police

On est trop comme ça, on est trop comme ça

Appelez La Police, Maître Gims feat. MHD, Ceinture Noire, 2018

Vier inspecteurs van het Antwerpse Drugsondersteuningsteam (DOT) stapten eind augustus naar de korpschef omdat ze geen vertrouwen meer hadden in hun leiding. Serge Muyters kreeg verhalen te horen over vriendjespolitiek, autoritair leiderschap en het niet ernstig nemen van klokkenluiders. Hij trad krachtdadig op: begin oktober verpatste hij de vier inspecteurs aan een andere dienst. Tussenliggend had de korpschef een halfhartig bemiddelingstraject ingesteld dat niet door de ervaren interne preventiedienst werd uitgevoerd maar door enkele getrouwen. De boodschap voor het hele korps was duidelijk: de leiding is een grote voorstander van vriendjespolitiek en autoritair leiderschap. En wie een toekomst als klokkenluider ambieert, weet wat hem te wachten staat.

Ondertussen lieten nog zes inspecteurs weten niet meer voor het DOT te willen werken. Van de 15 drugsdealerjagers blijven er vijf over. Voor de War On Drugs, een hoge prioriteit van burgemeester Bart De Wever waarvan eminente drugsbestrijdingsdeskundigen bij voorbaat al de zekere mislukking voorspelden – ze krijgen nu gelijk, maar niet op een verwachte manier – blijft alleen nog een Comedy Capers-legertje over.

De hand boven het hoofd houden van leidinggevenden die het bij hun mensen hebben verknoeid, is funest voor elke organisatie. Er is maar een goede oplossing: de leidinggevende moet weg. Alleen, je ziet het zelden gebeuren. Steeds weer is de ondergeschikte de sigaar.

Ooit was ik vanop afstand getuige van een verhaal dat begon met een affaire tussen een baas en een vrouw uit zijn dienst. De twee deden er alles aan hun relatie te verstoppen maar iedereen wist ervan, al was het maar omdat de doorgaans norse baas opeens een goedlachse, geïnteresseerde man bleek te zijn. Maar op een dag sloeg de liefdesrelatie om in een haatsituatie en werd iedereen op de dienst door de ex-geliefden getrakteerd op smeuïge en vernietigende verhalen over de andere. De dienst werd uiteengespeeld in twee kampen. Toen het oorlogsgekletter de hogere managementniveaus bereikte, vond de grote chef het welletjes en verplaatste de vrouw naar een andere dienst. Zoals steeds was de ondergeschikte de sigaar.

Maar de zet van de grote chef kreeg een merkwaardig staartje: iedereen op de dienst keerde zich tegen de eigen baas. Over de grote baas, die tot dan geen slecht parcours had gereden, ontsponnen zich in de koffiehoeken verdachtmakende verhalen over vriendjespolitiek en autoritair leiderschap. Een paar jaar later mocht hij vertrekken. De resultaten lieten te wensen over vanwege de ijskoude bedrijfscultuur.

Tijdens een walkingdinner had ik het met enkele managers over de zaak-DOT. Een ervaren leidinggevende vertelde dat de moeilijkste beslissing in zijn carrière ging over het opzijzetten van een bijzonder capabele baas die het op een lullige manier bij zijn team had verkorven. Alles begon met een stomme mop waarmee hij ongewild enkele mensen zwaar schoffeerde, maar waarvoor hij zich niet wilde verontschuldigen. Het eindigde met een eenzame baas die zich opsloot in zijn kantoortje.

Een opmerkelijk moment tijdens de walkingdinner: toen enkelen opperden dat het DOT-incident misschien niet zulke grote gevolgen zou hebben voor het korps ‘omdat bij politiemensen een hogere acceptatie voor command and control bestaat’, kregen ze prompt weerwerk van een hogere politie- en brandweerofficier. ‘Dat is enkel het geval bij een serieuze interventie waar de levens van onze mensen in gevaar zijn. En zelfs dan wordt het alleen geaccepteerd van een door iedereen hoog aangeslagen teambaas. Als die zonder aanwijsbare redenen van afgesproken procedures zou afwijken, is zijn reputatie er ook aan, hoor! Nee, de politie is een organisatie zoals een andere: zonder participatie en vertrouwen bereik je niets.’

Die wijsheid heeft de Oudaan en ’t Schoon Verdiep nog niet bereikt.

Naschrift

Deze tekst verscheen als column in De Tijd van 19 oktober 2019.

Video Appelez La Police

Artikelen over de situatie bij het Antwerpse Drugsondersteuningsteam:

https://www.gva.be/cnt/dmf20191009_04654445/politievakbond-nspv-dient-stakingsaanzegging-in

https://www.standaard.be/cnt/dmf20191008_04652796

https://www.vrt.be/vrtnws/nl/2019/10/08/10-speurders-verlaten-antwerps-drugsteam/

 

 

 

 

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

AliëNatie

I’m waiting for

Another language

To speak the story of my soul

Another Language, Lamb, 5, 2011

Volgens de nieuwe Vlaamse regering moet ik bij het ochtendgloren met de borst vooruit ‘Ik ben Vlaming en daar ben ik trots op’ roepen tegen het ongeschoren gezicht dat me in de spiegel aankijkt. Wat een fasciNatie is voor de een, is een aliëNatie voor een ander: ik ben er helemaal niet trots op dat ik Vlaming ben. Ik ben er ook niet rouwig om. Het is me volkomen vreemd om trots te zijn op iets waar ik geen aandeel in heb.

Zo ben ik ook niet trots om Gentenaar te zijn. Ik woon er bijzonder graag. Ik vind het een mooie, leefbare, cultureel interessante, culinair heerlijk vernieuwende stad, maar ik ben er niet trots op. Ik kan me niet op de borst kloppen dat ik er veel voor heb gedaan. Zelfs toen ik er kabinetschef was van de beste Vlaamse burgemeester ooit was mijn aandeel in wat de stad geworden is te miniem om over te spreken.

Ik ben Vlaming omdat ik geboren ben in een Vlaams gat, Zerkegem. Daar heerste een uitgesproken West-Vlaamse trots, maar er was verder geen spoor van Vlaamsigheid. Als die er al was, dan werd die heel vroeg in mij gedoofd door toedoen van mijn papa’s vader. Peetje was als 19-jarige diep Vlaamsgezind uit de Eerste Wereldoorlog gekomen. De wijze waarop Vlamingen door Nederlandsonkundige officieren behandeld werden, maar vooral dat zijn beste maat het leven liet wegens een niet-begrepen order, liet hem zijn hele leven niet meer los.

Nog meer dan Vlaams was hij tegen alles wat geweld was. Nooit meer oorlog was zijn grootste wens. Dus trok hij ieder jaar welgemoed naar de IJzerbedevaart, waar hij zijn oude WO I-vrienden ontmoette. Daar kwam abrupt een einde aan toen de weide overstroomd werd door mensen in militaire uniformen die haat en racisme predikten. ‘Ze zullen het nooit leren, die Vlaamsgezinden’, zou hij gezegd hebben in 1942 toen hij kinderen van zijn oude gezellen naar het Oostfront zag vertrekken. Dat vertelde mijn meetje me toen ik haar meldde dat ik gewetensbezwaarde zou worden. Ze was trots op me. Ik was een waardig kleinkind.

Ook met die West-Vlaamse trots heb ik niets. Zeker niet toen ik als 18-jarige in Gent arriveerde. Ik ergerde me blauw aan West-Vlaamse studenten die zich enkel inlieten met gouwgenoten en alleen op het examen een poging deden om iets te praten dat op Nederlands leek.

Ik hou enorm van mijn taal, die Vlaams en niet West-Vlaams is. Die prachtige stemmen met het heerlijk correcte Nederlands van de BRT-radiojournalisten die ‘Actueel’ inspraken en me een niet te schatten inzicht in de wereld gaven, ik kreeg er nooit genoeg van. De taalvirtuositeit van Koot & Bie, van Guy Mortier, en de Jannen Hautekiet en Wauters!

Dat leren smullen van taal is waarschijnlijk begonnen in 1963 op de scooter van mijn pa met een grote doos ‘Vlaamse Filmkes’, ‘Ricardo’s’ en ‘A. Hans Kinderbibliotheek’-boekjes tussen ons in geklemd. Mijn papa’s jongste broer had die boekjes, die de drie broers lazen wanneer ze zo oud waren als ik toen, al die jaren zorgvuldig bewaard. Ik vrat die verhalen. Een half jaar later kwam meester Duhamil mijn papa vragen wat er met mij gebeurd was. Van een leerling met modale resultaten was ik ineens primus geworden. Dat ik in mijn opstellen werkwoorden gebruikte die hij niet eens kende, verbijsterde hem.

Die paar keer dat ik me Vlaming voelde, was toen mijn taal gekrenkt werd. Als beginnende ambtenaar – ik moest het plan-Spitaels uitvoeren – werd ik door zijn cabinetards alleen in het Frans toegesproken. Toen ik daar mijn beklag over maakte, was ik ei zo na mijn (tijdelijke) job kwijt.

Nog maar een paar jaar geleden gaf ik een presentatie in een non-profitorganisatie waar zowel Vlamingen als Franstaligen werken. Voor mij deed een personeelshoofd de reorganisatieplannen uit de doeken in prachtig Voltaire-Frans. Tien minuten ver in mijn lezing zie ik de directeur driftig voor mij dansen, met op een stuk karton ‘En français s.v.p.’ Ik legde uit dat afgesproken was dat ik in het Nederlands zou praten en dat niemand misbaar maakte toen mijn voorganger enkel Frans sprak, maar ik was voor de helft van de zaal van dan af aan een Vlaams Belanger (en voor de andere helft een held).

De laatste keer dat ik me in mijn taal gekrenkt voelde, was na lezing van het schabouwelijk woordgegeven Vlaams regeerakkoord. De Tael is toch gansch het Volk? Ik mag hopen van niet.

Toch ben ik niet trots op mijn taal. Ik heb haar cadeau gekregen. Wie wel trots mag zijn op zijn kennis van het Nederlands zijn volwassen migranten, want ze hebben zich grote inspanningen getroost om een moeilijke taal te leren. Maar in plaats van respect krijgen ze de rekening.

Naschrift

Another Language

Voor wie alleen maar zwart/wit of Vlaams/Belgisch kan denken: ik ben er helemaal niet trots op dat ik Belg ben. Ik ben er ook niet rouwig om. Het is me volkomen vreemd om trots te zijn op iets waar ik geen aandeel in heb.

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Autist

Hello to you out there in Normal Land

You may not comprehend my tale or understand.

‘I’m Spasticus Autisticus’, Ian Dury, ‘Lord Upminster’, 1981

De bliksem sloeg in toen ik in de Knack van vorige week een artikel las over de verscheurende ervaringen van autistische mensen op de werkvloer. Het bracht herinneringen naar boven. Toen we in 2005 aan de hervorming van de federale overheidsdienst Sociale Zekerheid begonnen, waren we er zeker van dat een resultaatgerichte organisatie zonder verplichte, vaste werkplekken iedereen gelukkiger zou maken. Of op zijn minst minder ongelukkig. Toen we onze mensen in 2011 enquêteerden, leek dat ook te kloppen. Dat je in voor- en tegenspoed bij je familie en vrienden kon zijn zonder de toestemming van je baas, dat je thuis kon werken wanneer je wilde, en dat je kon werken waar je wilde als je op het ministerie was, vonden mensen een grote verbetering. Nu lijkt zo’n aanpak normaal – eergisteren, op de telewerkdag, raakte bekend dat 22 procent van de werknemers nu en dan thuis kan werken en dat 90 procent van hen daar uiterst tevreden over is – maar destijds waren onze ingrepen gewaagd. De opluchting dat de overgrote meerderheid van onze ambtenaren ze apprecieerde, was dus groot.

Maar op een dag sprak Philippe* me aan. Of ik eens met hem wilde spreken op een plek buiten het ministerie? Ik verwachtte een verhaal over fraude of intimidatie. Maar Philippe zei: ‘Ik ben autistisch en word gek van alles wat je in ons ministerie hebt veranderd.’ Ik was compleet verrast. Al van in 2005 waren we ervan overtuigd dat het simplistisch installeren van open space een ramp zou zijn. In een omgeving waar je bewust of onbewust elke beweging van je collega’s registreert en waar je een professionele koptelefoon moet hebben om je af te sluiten van alle geluiden die op je af komen als je je werkplek met zeventig mensen moet delen, kan je geen kwalitatief werk leveren en ga je afgepeigerd naar huis. We hebben dus veel geld gestopt in alle mogelijke middelen om mensen in alle rust te laten werken, gaande van anti-allergisch tapijt over geluiddempende panelen – die ook voorbijlopende collega’s uit je gezichtsveld houden – tot antigolfzenders.

Maar geen van die technische hoogstandjes hadden Philippe gemoedsrust gegeven. Hij kon er niet mee om dat we het systeem van vaste plaatsen hadden afgeschaft. ‘Ik word al nerveus als ik in de trein stap, omdat ik vrees dat ik niet op ‘mijn’ plek kan zitten’, vertelde hij me. ‘Ik weet dat jij het fantastisch vindt dat je niet meer opgesloten zit in je grote bestuurskamer, maar mijn wereld stortte in op de dag dat ik mijn bureautje moest achterlaten.’

Het is zo’n verhaal in het Knack-artikel dat me beroerde. Iemand waarvan niemand vermoedde dat hij autist was, kreeg promotie en het bijbehorende grote kantoor met prachtig uitzicht. Hij werd prompt doodongelukkig. Gelukkig toonde zijn baas begrip en mocht hij weer naar zijn vertrouwde plekje verkassen.

‘Ken je bij ons nog mensen met hetzelfde probleem?’, vroeg ik Philippe. Enkele dagen later zat ik samen met vier ambtenaren van wie ik nooit had vermoed dat ze autistisch waren. Ze hadden het ook nooit aan iemand verteld, uit angst voor de reacties.

‘Innerlijk krimp ik in elkaar als iemand van iemand anders zegt dat hij ‘een echte autist’ is’, zei Danielle*. ‘Als je zulke dingen hoort, denk je er niet aan het aan de grote klok te hangen.’

‘Waar zou je het gelukkigst mee zijn?’, vroeg ik. Twee van hen wilden het liefst altijd thuis werken, al wisten ze dat de wet maar drie dagen thuiswerk toelaat. Natuurlijk volg ik altijd de wet, tenzij het een idiote is. Ik liet ze dus thuiswerken. Met de twee anderen sprak ik af dat ze van nu af aan een zeer pijnlijke rugaandoening lijden die een speciale, in de grond verankerde stoel noodzakelijk maakte.

Ik hoop ooit de dag te beleven waarop we autisme even normaal vinden als een rugaandoening.

* Philippe en Danielle zijn fictieve namen.

Naschrift

Deze tekst verscheen als column in De Tijd op 21 sptember 2019.

Video I’m Spasticus Autisticus

Artikel Ann Peuteman in de Knack

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Bemoeienissen

If I am to stay

I want you to pray

Not for me

For the souls who have stayed like me before

A Day For The Hunter, A Day For The Prey’ Leyla McCalla, 2016

Dominique Leroy is een topmanager. Alleen een topmanager kan een bedrijf dat al tien jaar kromp omturnen tot een groeimachine, een unicum in de Europese telecomsector. En alleen een topmanager kan een bedrijf waar angst en controledrift heerste omvormen tot een plek met een voorbeeldige bedrijfscultuur.

Maar Dominique Leroy is ook een topmens. Iedereen die haar al eens ontmoette, zal dat bevestigen. Zelf bevestigde ze het door niet na te trappen toen ze haar vertrek bij Proximus aankondigde. Dat ze de vakbonden niet op de korrel nam, valt als voorzichtig te omschrijven: ze blijft tot 1 december en voor die datum wil ze een akkoord sluiten over het transformatieplan.

Maar voor de politiek hoefde ze niet voorzichtig te zijn. Toch sprak ze er goedmoedig over, terwijl ze nochtans geregeld publiekelijk is aan- of afgevallen door haar voogdijminister. Alexander De Croo moedigde de Proximus-klanten aan een andere operator te kiezen toen ze de tarieven verhoogde, had kritiek op haar strategisch personeelsplan en was woedend over haar weerstand tegen de komst van een vierde telecomspelerAls Leroy zegt dat de staat nooit in de dagelijkse werking van Proximus is tussengekomen, is ze dus iets te galant.

Niet de enige

Leroy is niet de enige die door De Croo werd aan- of afgevallen. Bpost-topman Koen Van Gerven, nog een vertrekkende overheidsmanager, kreeg kritiek op zijn idee voor duurdere postzegels op snelle brieven. Sophie Dutordoir kreeg de wind van voren toen ze aankondigde dat de NMBS geen wifi op de treinen zal aanbieden. Het toont aan dat geen enkele premier en geen enkele minister zich kan onthouden van inmenging in overheidsbedrijven en -diensten. Ze noemen zich voorstanders van governance, maar niemand – zelfs niet de donkerblauwste – houdt zich aan de gouden regels van behoorlijk bestuur.

Wat je over inbreuken op governance in de media leest, is het topje van de ijsberg. Inmenging van ministers en hun kabinetsleden is legio. Het is een van de grootste frustraties van overheidsmanagers. Als ze weggaan, is het niet vanwege het geplafonneerde loon maar uit onvrede met de constante bemoeienissen van de kabinetten en de onmogelijkheid een structureel beleid te voeren.

Leroy en Van Gerven zijn opvallende vertrekkers. Maar er vertrekken bij de (federale) overheid wel meer topmensen dan diegenen die de krantenpagina’s halen. Net voor de zomer koos Isabelle Mazzara, de voorzitter van de federale overheidsdienst (FOD) Binnenlandse Zaken, voor een job als directeur-generaal bij de ULB. Het toptalent dat door haar collega’s onmiddellijk na haar aanstelling werd verkozen tot voorzitter van de FOD-voorzitters, deed niet eens haar eerste mandaat uit. Geregeld vragen directeurs-generaal, personeelschefs of IT-topmensen me of ik weet heb van vacante plaatsen buiten de (federale) overheid. Telkens is de onderliggende reden: ‘Ik heb het gehad met de bemoeienissen van onbevoegde en vaak hautaine mensen op de kabinetten.’

Vertrouwen

Die werkelijkheid ontgaat potentiële kandidaten voor topjobs bij de overheid niet. Mensen bij Selor vertellen me dat het aantal echt goede kandidaten sterk is gedaald. Bij het assessment voor mijn opvolger is niemand geslaagd. Het vergde twee selecties om een voorzitter van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg te vinden. Voor de topman van de FOD Financiën moest de selectie zelfs drie keer worden uitgeschreven.

Misschien moeten mijn ex-collega’s, mocht er ooit nog een federale regering komen, hun nieuwe minister het interview van AB InBev-baas Carlos Brito in The Wall Street Journal sturen waarin hij vertelt dat hij niet meer aan micromanagement doet. ‘Ik ben gestopt vragen te stellen over resultaten die toevallig mijn interesse prikkelen, maar waar ik het eigenlijk nooit over had moeten hebben. Ik hou van details, maar nu denk ik: ‘Ik heb geweldige mensen en een team dat ik kan vertrouwen.’ Brito houdt zich nu minder bezig met vergaderen en meer met de toekomst, luidt het (De Tijd 22/4). Zou geen slecht idee zijn voor een regering, lijkt me.

Naschrift

Deze tekst verscheen digitaal in De Tijd van 7 september 2019. Voor één keer kwam mijn column niet in de papieren krant omdat Isabel Albers nagenoeg eenzelfde stuk schreef.

Ik heb lang nagedacht om deze mening te verkondigen, niet omdat ik twijfelde aan de inhoud maar omdat ik hier Alexander Decroo zwaar aanpak terwijl hij niet de grootste zondaar is en hij bij zijn aantreden de wet zo aanpaste dat het moeilijker werd voor ministers om tussen te komen. Hij mag dan één van de beste ministers in de aflopende regering zijn, hij zou moeten weten dat een overheidsmanager in een volwassen governancemodel geen artikelen hoort te moeten lezen met zinnen als “De Croo fluit spoorbaas Dutordoir terug over wifi”,  “Nadat BPost-baas Koen Van Gerven had gezegd dat hij aan de postzegeltarieven wil morrelen, roept bevoegd minister Alexander De Croo (Open VLD) hem op het matje” en “De Croo pikt prijsverhoging Proximus niet”. Als een (voogdij)minister behoorlijk bestuur serieus neemt, doet hij geen publieke uitspraken maar vraagt zijn vertegenwoordiger in de Raad van Bestuur om de CEO over zijn besluit aan te spreken.

Het bericht dat de Beurswaakhond de aandelenverkoop van Dominique Leroy (op 1 augustus) onderzoekt krijgt veel reacties maar het is toch niet onbelangrijk dat het onderzoek gemeld werd op 6 augustus, toen niemand (waarschijnlijk ook Leroy niet) wist dat ze zou opstappen. Laten we de resultaten van het onderzoek afwachten om beschuldingen te uiten. Wat ook de uikomst is, het minimaliseert in gene dele haar verdiensten.

Video A Day For The Hunter, A Day For The Prey. Leyla McCalla is een nobele onbekende in ons land, zeer ten onrechte.

 

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen