Kabinetskost


When it comes down to the facts

I laugh and walk away

Laugh and walk away

The Shirts ‎– Laugh And Walk Away, Single, 1979

‘Als je verkiezingen wint, krijg je veel geld per stem. Dat gaat naar partijpolitiek personeel, terwijl men dat geld zou moeten investeren in een neutrale studiedienst van het parlement. Onze leerprocessen zijn ontspoord. Daarom moeten kabinetten volgens mij drastisch afslanken’, zegt Marc Buelens, organisatie-expert van de Vlerick Management School. Daarmee sluit hij perfect aan bij de stelling van Guy Tegenbos. ‘Die (traditionele) partijen hebben alleen oude oplossingen voor de nieuwe uitdagingen, maar geven zichzelf zoveel geld en mankracht in partijsecretariaten en kabinetten, dat ze de stabiele krachten – de administraties, de overlegorganen en de langetermijndenkers – kunnen opzijzetten en zichzelf macht toe-eigenen. Ze zijn uitgeleefd, maar fokken hun tegenstellingen bovenmatig op om zichzelf in leven te houden’.

Zulke kritische geluiden over kabinetten hoor je wel meer bij mensen zoals Buelens en Tegenbos, die de overheidsadministraties vanbinnen en vanbuiten kennen. Je leest ze evenwel sporadisch in onze kranten. De huidige generatie Wetstraatjournalisten heeft nog amper contact met kabinetsmedewerkers, topambtenaren en ambtenaren op studiediensten, zoals Tegenbos die decennialang onderhield. Daardoor hebben ze weinig inzicht in welke rol kabinetten (niet) spelen. Daarom ontbreken in de lijst van te schrappen overheidsinstellingen waarin van oudsher de Senaat, de provincies en de ambtenaren prijken meestal de kabinetten.

Nochtans zijn kabinetten een prachtvoorbeeld van hoe verkeerd geïnvesteerd wordt in onze overheid. De meerderheid van de cabinetards zijn geen ambtenaren. Ze worden goed betaald. Een kabinetschef krijgt hetzelfde loon als een FOD-voorzitter, zonder assessment of proef vanzelfsprekend. Kabinetsattachés krijgen een loon waar ambtenaren alleen van kunnen dromen. In cabinetards wordt dus een aantal jaar zwaar geïnvesteerd, maar die investering komt bij andere werkgevers dan de overheid terecht. Uiterst zelden voegen cabinetards zich bij de rangen van de ambtenarij. Sommigen worden door de privésector opgevist, maar je vindt ze meestal terug in aanverwante of zuilorganisaties. De beteren kunnen aan de slag op de partijstudiedienst. Overheidsgelden die konden dienen voor het aantrekken van experts die levenslang hun opleiding, kennis en netwerken ten dienste stellen van de burger, gaan zo verloren.

In de cursussen politologie wordt ‘beleid’ de opdracht voor de kabinetten genoemd en ‘beheer’ een taak voor de administratie, maar dat is louter theorie. Er is een reden dat in ons land voor niets een plan is. Ministers en hun kabinetten doen niet aan langetermijnbeleid. Als er bij het aanvaarden van de functie al een voornemen van beleidsplanning was, wordt dat al snel door de waan van de dag en profileringsdrang naar de achtergrond verschoven.

Het is begrijpelijk dat kabinetsmedewerkers die al te goed weten dat hun kabinetscarrière mogelijk heel kort is zich niet te veel inlaten met dossiers die pas over tien jaar resultaten opleveren. Dus houden ze zich bezig met beheer en laten ze zich in met het werk van ambtenaren. Vijf jaar geleden schreef Tegenbos al: ‘Als men de managers van de overheidsdiensten niet meer betuttelt maar verantwoordelijkheid geeft, zullen zij nog wel efficiëntiewinsten vinden.’

Op de kabinetten werkt ook een aantal gedetacheerde ambtenaren, maar hun aandeel wordt met de jaren kleiner. Dat komt omdat ambtenaren almaar minder met politieke partijen willen geassocieerd worden, maar ook omdat hun promotiekansen bij terugkeer drastisch verminderd zijn. De tijd dat Herman De Croo zijn chauffeur als directeur op een ministerie benoemde, ligt al decennia achter ons. Promotie krijg je nu na een grondige selectie.

Niet dat alle kabinetschefs daar al van op de hoogte zijn. Ooit had ik te maken met een kabinetschef die een personeelsdossier blokkeerde. Daar bleken bij nader inzicht niet direct grote problemen mee te zijn. Dat was dus snel opgelost. Maar de man had, ‘natuurlijk totaal losstaand van dit dossier’, toch nog een vraagje voor mij. Of ik de twee mensen van mijn administratie die naar zijn kabinet waren gedetacheerd een promotie kon geven na afloop van hun opdracht. Ik was zo verbijsterd dat ik even niet wist wat gezegd. ‘Ach, ik zie dat je daar morele problemen mee hebt’, zei hij laatdunkend.

Naschrift

Deze tekst verscheen als column in De Tijd van 19 september 2020.

Video Laugh And Walk Away

Geplaatst in Geen categorie | 1 reactie

Overheid 2.0

Sinan, And His Never Ending War Against the Bureaucracy Robots

Shalosh ‎– Onwards And Upwards, 2019

Natuurlijk moest u zich de jongste dagen verveeld, verbijsterd of geërgerd door alle corona- en Chovanec-artikelen werken. Daarom valt de berichtgeving in kleine letters nog amper op. Tenzij u een fervent volger bent van de website van Open VLD zal het pleidooi van de Antwerpse liberalen Christian Leysen, Marianne Verhaert en Willem-Frederik Schiltz voor een Overheid 2.0 u volledig ontgaan zijn. Jammer, want de meeste fouten tijdens de corona- en Chovanec-drama’s hebben naast de klaarblijkelijke incompetentie en criminele onzorgvuldigheid van sommige politici, ook het frequente falen van de overheid blootgelegd.

Niet dat het werkstuk zoveel nieuws bevat. Leysen & co. willen een overheid die er is voor de burger, niet voor zichzelf. Dat was in 1999 precies het onderschrift van het door premier Guy Verhofstadt (Open VLD) en ambtenarenminister Luc Van den Bossche (sp.a) opgezette Copernicusplan. Bij grondige lezing blijkt dat de drie liberalen ‘een moderne, innovatieve en klantgerichte overheid’ willen. Dus zouden ze ook wel instemmend knikken bij een zin als ‘Daartoe vereenvoudigt de federale overheid haar structuren, innoveert ze voortdurend, trekt ze de beste talenten aan en waakt ze over kostenefficiëntie en een kleiner overheidsbeslag.’ Het zijn flarden uit de regeringsverklaring van Michel I. Gelijkaardige voornemens kon je ook al lezen bij het aantreden van Di Rupo I en Bourgeois I.

Toch mag de voorzet van Leysen & co. niet bij de oude vormen en gedachten weggezet worden. Ze hebben duidelijk lering gehaald uit alle gefaalde overheidsredesigns van het verleden. Terecht hechten ze een groot belang aan ‘een autonoom en een sterk geresponsabiliseerd team van topambtenaren, met een duidelijke opdracht van de volgende regering, in het kader van een langetermijnplan’.

 

1. Langetermijnplan. Zoek de landen op die een min of meer geslaagde overheidsomslag hebben verwezenlijkt en je vindt een langetermijnplan dat door opeenvolgende regeringen is uitgevoerd. Het typevoorbeeld is Finland, dat met het uiteenvallen van de Sovjet-Unie niet alleen de helft van zijn economie zag verdampen, maar ook tot de pijnlijke vaststelling kwam dat het overheidsapparaat geen antwoord had op de belangrijkste maatschappelijke noden. Over de partijgrenzen heen kwam een akkoord over een tienjarenplan tot stand dat scrupuleus uitgevoerd werd.  Een te volgen voorbeeld.

2. Een duidelijke opdracht van de volgende regering. In de 17 jaar dat ik voorzitter was, is geen enkele premier aan het college van topambtenaren zijn plan komen uitleggen. De reden: er was geen plan, er waren enkel intenties. In september 2014, midden in de onderhandelingen voor een nieuwe regering, stuurden de federale topmanagers een memorandum aan de onderhandelaars met de dringende vraag voor een langetermijnplan en de aanstelling van een minister voor de Overheid, die niet alleen minister van Ambtenarenzaken was, maar ook bevoegd voor het budget, de logistiek, de huisvesting en de informatietechnologie van de overheidsdiensten. De noodzaak om alle aspecten die bepalend zijn voor de efficiëntie van de overheid samen te brengen in één enveloppe is blijkbaar bij een paar fris kijkende politici doorgedrongen.

3. Autonome en geresponsabiliseerde topambtenaren. Met de Copernicusomwenteling werd de (top)ambtenaren ‘een ruimere autonomie’ beloofd. Van de beloofde controle na de beslissingen is nooit iets gekomen. Vooraleer een overheidsmanager iets kan uitvoeren, moet hij de goedkeuring krijgen van zijn minister, zijn inspecteur van Financiën, zijn vastlegger van kredieten en de minister van Begroting. De drogreden voor zoveel Kafka is de schrik dat budgetten overschreden zouden worden.

Er bestaat een veel eenvoudiger systeem om dat te vermijden. Stem een wet waarin staat dat overheidsmanagers die hun budget overschrijden om dringende reden en van ambtswege ontslagen worden. Topambtenaren zullen op de eerste rij staan om te applaudisseren. Want ze willen hun verantwoordelijkheid opnemen en ze willen daarop ook serieus geëvalueerd worden. Niet door ministers die mistevreden zijn over hun kabinetsmeubelen of die de zwartepiet voor hun eigen fouten aan ambtenaren willen doorschuiven, maar door een team van experts. En oh ja, schaf die kabinetten af. Ik weet het: dat kan niet, want het Copernicusplan deed dat al.

Naschrift

Deze tekst verscheen als column in De Tijd van 5 september 2020.

Video Shalosh ‎– Onwards And Upwards, 2019

Topambtenaar in het land van slopende zaken. Uit 2011!

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Tegen de dag

Friend, isn’t it so strange?

How the only things that change

Are the ones upon the surface

The restless moss upon the grave

Against the Day, Wolf Parade, Thin Mind, 2020

Tijdens de recente hittegolf zijn er 400 rusthuisbewoners meer overleden dan normaal voor die tijd van het jaar. Hebt u Wouter Beke, naar verluidt verantwoordelijk voor Welzijn in Vlaanderen, daar iets over horen zeggen? Niet dat we dat verwachten van iemand in wie zijn moeder beweert deugden te vinden die voor oplettende burgers niet meteen duidelijk zijn. De Vlaamse contacttracingdienst zou vanaf 11 mei zijn hoogstnodige werk doen. Gisteren zei hij vol trots dat zeker de helft van de te bellen mensen bereikt wordt. Ziedaar een man die een verkeerde afslag heeft genomen in het labyrint van de tijd en die nu zijn weg naar het moment waarop hij nog adequaat reageerde niet kan terugvinden. Het schetst een politicus van de vorige eeuw die heilig gelooft dat dingen altijd geleidelijk genoeg gebeuren om je de tijd te geven rustig af te wegen wat je moet doen.

De wetenschappelijke zekerheid dat we door de klimaatopwarming met steeds meer, langere en hetere hittegolven af te rekenen krijgen, en dat die – blijkt uit de niet coronagerelateerde sterftecijfers in woon-zorgcentra – zonder aangepast beleid kunnen leiden tot massale sterfte bij bejaarden, zet Beke er blijkbaar niet toe aan om een evaluatie te vragen van het warmteplan dat werd opgemaakt na de rampzalige zomer van 2003. Toen kostte een hittegolf 1.230 slachtoffers het leven. Er moet blijkbaar niet onderzocht worden of woon-zorgcentra erin slagen de kamers van de bewoners fris te houden. Dat is toch geen onbelangrijk element in een tijd dat de coronamaatregelen onze ouders en grootouders in kamers houden waar bijna nooit airconditioning of luchtventilatie is. Als die er wel zijn, werden ze uitgezet uit angst voor besmetting door de lucht. Verfrissing in de grote ruimtes met airconditioning kunnen bewoners van woon-zorgcentra niet vinden, want die zijn ‘ruimtevretend’ ingericht voor het familiebezoek. Een vriendin vertelde me dat ze een mondmasker ging halen op de kamer van haar vergeetachtige moeder en zag dat het er 32 graden was.

Beke vindt het ook niet nodig te onderzoeken of de beperkte bezoekregeling in woon-zorgcentra geleid kan hebben tot die hoge dodentol door de warmte. Jos De Smedt, coördinerend en raadgevend arts in woon-zorgcentra in de regio Heist-op-den-Berg liet in een artikel in De Standaard noteren dat ‘de vereenzaming niet onderschat mag worden. Dat weegt op de vitaliteit en levensdrang.’ Daar moet ik niet van overtuigd worden.

Gisteren in het woon-zorgcentrum, wachtend op mijn mama, die door de niet genoeg te prijzen verzorgers naar een plekje in de schaduw werd geëscorteerd, zag ik een oude man uit de lift stappen die bij het zien van zijn twee dochters uitriep: ‘Kapot! Kapot wil ik! Dit is geen leven. Ik wil geen eten meer. Ik wil geen pillen meer. Ik wil alleen koffie.’ Ik zag in de ogen van de hoofdverpleegkundige, ook getuige van het trieste schouwspel, een oneindige droefenis verschijnen die alleen het gevolg kan zijn van maandenlange blootstelling aan onpeilbare ellende. ‘We zien het vooral bij de meest levenslustige van onze bewoners’, zei ze toen ik haar bij mijn vertrek ging groeten.

Ik heb haar deze keer niet gevraagd wat ze dacht van de politici die er maar niet in slagen een regering samen te stellen. Hoogstwaarschijnlijk zouden ze – mocht er ooit een moment komen waarbij publiek gerouwd wordt voor iedereen die ons door corona ontviel – met de hoed in de hand even een moment van stilte in acht nemen, om dan als vanouds verder te kibbelen over iets dat aanzienlijk minder belangrijk is dan het leven en de dood.

In het zwijgen wordt Beke ruim overklast door zijn minister-president, de meest afwezige Vlaamse regeringsleider aller tijden. Jan Jambon zegt niet veel, en als hij spreekt, weet niemand wat hij bedoelt. Zeker de cultuursector niet, waarvoor hij naar verluidt bevoegd is. Dat in zijn achtertuin de Roma sluit, zal hem worst wezen. Natuurlijk weet hij dat de sociologische en maatschappelijke waarde van de Roma nog belangrijker is dan het culturele aanbod, maar het is net daarom zeker geen onderdeel van zijn ideologische canon. Hij stak geen poot uit om op de culturele plekken, de enige waar je nog soelaas kan vinden tegen alle corona-ellende, komaf te maken met de idiote 100-personenregel zonder onderscheid van zaalgrootte. De culturo’s die de meest sluitende coronaprotocollen opstelden, kregen daarvoor alleen de karakteristiek misprijzende grijnslach in ruil.  Daarop vertrok Jambon op vakantie met een signaal van Bengaals vuur, waarbij ironie misschien niet helemaal afwezig was. Tegen de dag dat we een slagvaardige Vlaamse en een volwaardige federale regering hebben, is van cultuur alleen nog brakke grond over.

Naschrift

Deze tekst verscheen op 22 augustus als column in De Tijd.

Video Against the Day

Mocht u me na lezing dezer verdenken van literaire talenten, dan moet ik u erop wijzen dat ik voor dit stukje tekstueel zeer vrijelijk heb gestolen uit Against The Day, een even magistrale als waanzinnige roman – hij schreef geen andere –  van de raadselachtige Thomas Pynchon.

 

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Vakantieafwezigheidsbericht

Return to sender, address unknown

Return to sender, address unknown

No such number, no such zone

Return To Sender, Elvis Presley, 1962.

In een even grappig als diepgaand stuk riep de techniek- en mediafilosoof Yoni Van Den Eede (VUB) deze week het automatisch afwezigheidsbericht uit tot de beste uitvinding aller tijden. Met hem onderschrijf ik de volgende stelling: ‘Een systeem dat je in ieder geval voorlopig vrijstelt van het vechten tegen de bierkaai van eindeloos binnenstromende microtaakjes moet geprezen en vereerd worden’. Vroeger was ik geneigd om in deze The Economist te volgen, die in 2017 na een breed vergelijkend onderzoek het doorspoeltoilet die felbegeerde titel toekende. Maar toen bleek dat Van Den Eede de titel specifiek aan de autoreply ‘out of office’ toewenste, werd ik voor het eerst in jaren The Economist ontrouw. Vooral de zin ‘Met de activering van de ‘out of office’ begint de vakantie echt, en ze eindigt pas als hij wordt uitgeschakeld’, klopt als een bus.

In de jaren dat ik voorzitter was van een federale overheidsdienst –  een opdracht die ik toen als waanzinnige rock-’n-roll ervaarde, maar eigenlijk een rustig kabelend bestaan was in vergelijking met wat de FOD-voorzitters nu doormaken – kon ik door die zalige autoreply wegschuiven in een gezapige vakantiemodus.

De rust in mijn hoofd werd bruusk weggeveegd als ik op de eerste werkdag na de vakantie geconfronteerd werd met de tien karrenvrachten mails die me wreed aanstaarden, sommige met verraderlijke rode kleuren die een extreme noodzaak uitstraalden maar die niet bleken te hebben. Het duurde dagen voor ik alles gesorteerd had in de deelboxen ‘weg’, ‘niet dringend minder belangrijk’, ‘niet dringend belangrijk’, ‘dringend en belangrijk’ en ‘dingen van de kabinetten’. De grootste deelbox was ‘herinneringen’.

Nadat ze gealarmeerd door mijn zuchten mijn bureau was binnengelopen (we begonnen pas in 2009 met het Nieuwe Werken), verloste mijn secretaresse me op een mooie augustusdag uit mijn lijden met een erg verstandige vaststelling: ‘Dat moeten we allemaal doen, Frank. Wat een verkwisting van honderden mensuren tijd en energie!’ Ik, die toen al lezingen gaf over efficiëntie, voelde me zeer aangesproken. Met een paar absurdistanen – ambtenaren die zich nooit zo noemen omdat ze anders en verfrissend denken – hebben we die heikele kwestie bestudeerd. We maakten een vakantieafwezigheidsbericht dat iedereen in de organisatie mocht instellen. Het luidde: ‘Goedendag. Ik ben met vakantie. Ik zal deze mail niet lezen. Niet tijdens mijn vakantie maar ook niet erna omdat de meeste berichten dan achterhaald zijn. Als u een dringende vraag hebt: XXX vervangt me. Zijn/haar e-mailadres is XXX. Als het niet dringend is maar uw bericht er nog toe doet op (datum) wanneer ik het werk hervat, verstuur het a.u.b. opnieuw met uitgestelde levertijd. Ik wens u een leuke vakantie als u die nog tegoed hebt.’

Op de eerste werkdag na de vakantie genoot ik, en met mij velen in de FOD, van het heerlijke moment waarop je de uitpuilende vakantie-inbox met de breedste glimlach ter wereld en met een druk op de deleteknop kon wegtoveren. Opmerkelijk hoe weinig mails met een uitgestelde levertijd je binnenkreeg.

Natuurlijk waren een paar mensen niet opgezet met ons vakantieafwezigheidsbericht. Ze vonden de boodschap agressief, arrogant en tekenend voor de ambtenarij. Op zulke klachten antwoordde ik steevast met een gedicht van Menno Wigman:

Dit wordt een droef gedicht. Ik weet niet goed

Waarom ik dit geheim ophoest, maar sinds een maand

Of drie geloof ik meer en meer dat poëzie

Geen vorm van naastenliefde is. Eerder een ziekte

Die je met een handvol hopeloze idioten deelt.’

Gevolgd door: ‘Zo is het ook met efficiëntie. Warme groet.’

Vandaag zou ik dat niet meer durven. Covid-19 heeft te veel verdriet aangericht, maakt zoveel mooie gebaren onuitvoerbaar en slaat onuitwisbare kraters in onze harten. Daar moet geen mail die harteloos kan overkomen meer bovenop.

Naschrift

Deze tekst verscheen als column in De Tijd van 8 augustus 2020.

Video Return to sender.

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

(In)Voelen

So just open up your eyes, old man

Look who’s come to say goodbye

The sun has left the sky, old man

The birds have flown away

And no one came to cry, old man

Goodbye, old man, goodbye

‘Old man’, Randy Newman, Sail Away, 1972

‘Plots kan je hele leven omslaan. Ik staar een volle minuut naar de grond. Mijn wereld is ingestort. Zeg me wat ik moet doen. Ik wil veranderen. We kunnen ons aanpassen. We hadden toch altijd vertrouwen in elkaar? We kunnen zelfs een open relatie hebben als dat nodig is. Ik kijk naar haar, ze kijkt me aan, maar haar ogen glanzen alsof ze dwars door me heen kijkt. Dan sluit ze haar ogen voor wat een eeuwigheid lijkt. Dan kijkt ze naar haar voeten. Ik draai mijn handpalm omhoog om naar de lucht te kijken, raakt de onderkant van haar kin aan en zuchtte. Omdat ik me mijn leven zonder jou en mij niet kan voorstellen. Omdat er dingen zullen gebeuren die ik me niet kan voorstellen, dingen waaraan ik niet wil denken. Ondertussen zegt dat mannetje in mij: “Droog je ogen af, ik weet dat het moeilijk te nemen is, maar haar besluit is genomen. Overigens: er zit nog veel meer vis in de zee. Droog je ogen af, ik weet dat je haar wilt laten zien hoeveel pijn dit doet, maar je moet nu weglopen, het is voorbij’.

‘Er komt een geboortegolf en een echtscheidingstornado op ons af’, las ik die vroege ochtend, en net dan kiest mijn computer uit de miljoenen songs die ik mijn hele leven al verzamel die ene song die de verschrikkelijke menselijke tragedie weergeeft waarbij de ene partner aan de andere zegt dat het voorbij is. ‘Dry your eyes’ van The Streets, een groepsnaam die staat voor Mike Skinner, een briljante Britse rapper en muzikant. De computer beleeft blijkbaar zijn existentieel moment. ‘This is the happy house, we’re happy here in the happy house. To forget ourselves and pretend all’s well. There is no hell’, zingt Siouxsie van de Banshees vals opgewekt na de ijselijke beschrijving van Skinner.

Coïncidentie zou het woord van de dag zijn. We zagen na veel tijd vrienden. Iemand zei dat zijn dochter zwanger was, een ander dat zijn zoon beslist had te scheiden. Zijn vrouw was doodsbang dat ze haar kleinkinderen niet meer zou zien. ‘Dat is het lot van een op de vijf grootouders na een scheiding’, snikte ze. Iedereen voelde enorm mee met haar. We wisten dat ze een paar weken eerder haar moeder had verloren. In het rustoord van haar ma had corona heftig toegeslagen. Er waren geen mondmaskers en geen handschoenen.

‘Die waren er wel in het rustoord van mijn moeder,’ zei weer een andere vriend, ‘maar de drie maanden zonder contact hebben haar in complete dementie gestort. Dat ze uit haar kamer moest omdat haar gang een corona-afdeling moest worden, heeft ook niet geholpen. En ze verstond helemaal niet dat ze enkel haar dochter en geen van haar zoons zag opdagen wanneer eindelijk bezoek toegelaten was.’ Van alle aanwezigen was er maar een van wie de moeder – geen enkele vader was nog in leven – nog in haar eigen huis woonde. Ze had de hele crisis rustig meegemaakt. Was nooit haar huis uit gedurfd, maar had iedere dag een kind gezien

Wij, die onze mama in het rustoord hebben geplaatst, waren allemaal een beetje jaloers. Ook een beetje beschaamd. We waren allemaal zo druk in de weer geweest met ons eigen leven. Dus was er geen alternatief toen onze moeders hulpbehoevend werden. Maar zelf willen we nooit in het rustoord van onze moeder terechtkomen. Niet dat er een spat kritiek was op de verzorgenden in de rustoorden (niemand gebruikt het woord woon-zorgcentrum). Woede op onze tekortschietende beleidsmakers was er te over.

Dat weekend waren reconstructies verschenen over hoe de besluitvorming was verlopen in de woon-zorgcentra, en dat was niet van dien aard om de scherpte van de commentaren te verzachten. De algemene teneur was: natuurlijk was het voortdurend leren met een onbekende, dodende ziekte, maar helemaal onvoorbereid zijn en dan too little too late maatregelen treffen is onvergeeflijk.

Een vriendin fluisterde ‘en dat totale gebrek aan empathie van die politici, in een land dat 10.000 coronadoden kent’. De kamer ontplofte. Het was voor iedereen de belangrijkste vaststelling van de coronacrisis. De Crem had net zijn intussen beruchte woorden ‘De regel over het zich niet bewegend verplaatsen in parken is nog altijd van toepassing, de mogelijkheid om te verbaliseren ook’ uitgesproken. Maar van een aan repressie verslaafde, zelfingenomen kromprater had men niet meer verwacht.

‘Er is evenveel nood aan een structureel noodplan voor de geestelijke gezondheid van de Belg als voor de economie en de werkgelegenheid’, vond men. ‘Is het nu zoveel gevraagd om een dag van rouw uit te roepen voor onze ouders en vrienden’, vroeg de vrouw van de scheidende zoon. ‘Ja, maar dan met ziekenhuis- en rustoordenpersoneel en zonder politici op de eerste rij’, zei de oudste van de groep.

Naschrift

Deze tekst verscheen als column in De Tijd van 13 juni 2020.

Video Old Man.

Video Dry Your Eyes

Video Happy House

Lees ook Luc Bonneux

 

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Donkerblauw

We people who are darker than blue

Are we gonna stand around this town

And let what others say come true?

We people who are darker than blue, Curtis Mayfield, Curtis 1970

Voor een keer waren de Wetstraat-journalisten het eens: met Egbert Lachaert kozen de liberalen voor een donkerblauwe voorzitter. Ik werd in een ver verleden door een allang vergeten journalist als donkerrood omschreven omdat ik bij Red Star Sluizeken voetbalde, een stelletje langharige, bebaarde wetswinkeliers en ander links-alternatief gespuis dat er een hels genoegen in schiep respectabele elftallen zoals Humo’s Onoverwinnelijke Elf in de pan te hakken. Frank Raes kan er nog altijd niet om lachen.

Red Star Sluizeken bestaat nog altijd. Een van zijn trotse dieprodetruidragers is ene Egbert Lachaert. De Red Stars hebben destijds over zijn kandidatuur even lang gediscuteerd als de Open VLD-partijtop in 2012, toen hij het als vrijwel onbekende en verschrikkelijk tegen hun zin opnam tegen de donkerblauwe Gwendolyn Rutten. Toen werd Lachaert geen partijvoorzitter, maar wel een Red Star. Omdat hij een grappige vent en een typisch product van het vrijgevochten intellectuele bastion Atheneum Voskenslaan was, en zich als OCMW-voorzitter in Merelbeke een bijzonder sociaal agerende manager toonde.

Wat bedoelen die Wetstraat-journalisten eigenlijk als ze iemand donkerblauw noemen? Hebben ze het over iemand die de overheid als een vijand ziet? Die meent dat de vrije markt de onbeperkte vrijloop moet krijgen, omdat zijn onzichtbare hand ons naar een stralende toekomst leidt en die elke belasting bestrijdt alsof het een aantasting van het VN-handvest is?

Dan is Egbert Lachaert even weinig donkerblauw als Conner Rousseau donkerrood is. Beiden zijn slachtoffer van het ééndimensionale profiel waarmee luie, elkaar naschrijvende Wetstraat-watchers opkomende politici wegschrijven. Mensen dreigen die etiketten voor waar te nemen als ze maar genoeg herhaald worden. Zelfs econoom Stijn Baert lijkt erin te tuinen. Je leest zijn totale verrassing als Rousseau in Knack met volle overtuiging ‘ja!’ zegt op zijn vraag: ‘Of vindt de sp.a net zoals ik dat het verschil tussen wie werkt en wie niet-werkt wel groter mag worden?’

Rousseau was er als de kippen bij om Lachaert geluk te wensen met zijn verkiezing. ‘Ik kijk ernaar uit om samen een nieuwe wind in de politiek te doen waaien’, tweette hij. Het was veel meer dan een beleefde groet. De twee voelen veel beter het DNA van de 21ste-eeuwse Vlaming aan dan de meeste van hun collega’s. Dat kan je niet van hun CD&V-collega, Joachim Coens, zeggen. Oudere leden en West-Vlamingen ‘kozen met hem een leider naar hun beeltenis en niet iemand die misschien de rest van de samenleving zou kunnen inspireren, zoals Sammy Mahdi’, laat Jan Callebaut optekenen in zijn en Ivan De Vadders recente boek. Dat is een gemiste kans. Niet alleen voor de CD&V. Het trio Sammy, Egbert en Conner had het potentieel de gemiddelde Vlaming weer vertrouwen te laten krijgen in zijn politiek personeel.

Nu de discussie over hoe je een land moet organiseren om aan iets als een pandemie het hoofd te bieden onvermijdelijk wordt, valt op dat Lachaert en Rousseau zich niet laten vangen aan een middelendiscussie (regionaliseren! federaliseren!). Ze gaan uit van een doortastende overheid tijdens crisissen en het subsidiariteitsprincipe in rustiger tijden. Misschien leggen ze daarmee wel de grondslag voor een volwaardige, compacte regering. Die niet alleen in coronatijden meer belang hecht aan expertise en wetenschappelijke evidentie dan aan enge partijbelangen, aftandse ideologie en schaamteloze postenpakkerij. Een ploeg die zich niet bezondigt aan micromanagement en zich dus beperkt tot de grote lijnen. Je hoeft geen donkerblauwe te zijn om een broertje dood te hebben aan de regelneverij van bemoeizuchtige ministers, die opleggen hoeveel minuten grootouders hun kleinkind mogen knuffelen en hoeveel kramen op een markt mogen staan. We hebben een compacte regering nodig met ministers die niet elke zin beginnen met ‘het is belangrijk dat’, maar die belangrijke dingen doen.

Lachaert en Rousseau kunnen het verschil maken. Niet alleen voor hun uitgewoonde partijen, maar ook voor ons politiek systeem, onze welvaart en ons welzijn. Maar gerust kan je er niet in zijn. Het partijvoorzitterschap kan rare dingen doen met mensen. Ik heb de meest beminnelijke, grappige en relativerende mensen in onverbiddelijke machtpatsers zien veranderen nadat ze de partij in handen hadden gekregen. Abraham Lincolns beroemde boutade ‘als je het karakter van een mens wilt leren kennen, moet je hem macht geven’, is op geen enkele mensensoort zo van toepassing als op partijvoorzitters.

Naschrift

Deze tekst verscheen in De Tijd van zaterdag 30 mei 2020.

Video We people who are darker than blue, 1970 versie

Video We people who are darker than blue, 1996 versie

In De Morgen van zaterdag 30 mei 2020 legt Egbert Lachaert uit hoe belangrijk Red Star voor hem is. “Mijn ploeg heet de Red Star Gent en is lang geleden opgericht door studenten van Amada (voorganger van PVDA, red.), zoals Frank Van Massenhove”, laat hij optekenen.

Close but no cigar.

De oprichters van Red Star waren heftig linkse mannen, maar geen ervan was toen lid van een partij. De meesten, waaronder uw dienaar, vonden alle uiterst linkse partijen sektarisch en humorloos. Niet dat we iets voelden voor de traditionele partijen: socialisten en liberalen verkochten hun ziel voor een paar ministerposten aan de machtswellustellingen van de vrouw- en homovijandige CVP en de Volksunie telde te veel collaborateurs. Bob Dylan’s devies was het onze: “Don’t follow leaders, follow parking meters.”

Aan de allang vergeten journalist gaf ik indertijd toe dat ik marxist was. Een Groucho Marxist, weliswaar. “I don’t want to belong to any club that will accept me as a member” is de enige regel van de leer. In die tijd wisten mensen nog wie de Marx Brothers waren. Toen de man en paar jaar later een door niemand gelezen boek uitbracht, stuurde ik hem een gele briefkaart met een andere Groucho quote: “From the moment I picked up your book until I put it down, I was convulsed with laughter. Some day I intend reading it.” Hij stuurde me een antwoord: “I never forget a face, but in your case I’ll be glad to make an exception (Groucho Marx)”. Heerlijk.

Alle nieuwe voorzitters van de traditionele partijen denken eraan om de partijnaam te veranderen. Terecht. Je wilt je toch niets voorstellen bij “Open Vlaamse Liberalen en Democraten”? Die a in SP.a, die dateert uit de tijd dat Groen nog Agalev heette en Steve Stevaert hen letterlijk als aanhangsel van zijn partij zag. En die ampersant in CD&V die volgens de toenmalige voorzitter eigenlijk belangrijker was dan de letters – hij heeft gelijk gekregen – is te belachelijk voor woorden.

Ik hoop dat de nieuwe voorzitters geen geld verkwisten aan kostelijke ontwerp- en communicatiebureaus die toch weer zullen komen aandraven met Wetstraatfähige namen die niemand begrijpt. Mijn raad: noem je zoals de dorpstraat je kent. Socialisten worden De Sossen, liberalen De Blauwen en CD&V wordt De Tjeven of gewoon weer CVP met als ondertitel: “Principes zijn als winden”, als hulde aan Gaston Eyskens. Voor de niet-kerkelijken, de volledige quote luidt: “Principes zijn als winden. Je houdt ze vast zolang je kunt, maar als je niét meer kunt, laat je ze heel stilletjes los. Zonder dat iemand het merkt”. De oude staatsman kende zijn klassiekers en dus ook Groucho Marx. Die zegde het hem al voor: “Those are my principles, and if you don’t like them… well I have others.”

Ach, Kaaiman. Ik ga je zo missen.

 

Geplaatst in Geen categorie | 2 reacties

Brandjes blussen

Run and get the fire brigade

Get the fire brigade

See the buildings start to really burn

Fire brigade, The Move, 1968

‘Ik geef liever applaus voor de ambtenaar die voor een betere brandveiligheid in een torenflat heeft geknokt dan voor de brandweerman die zijn leven heeft gewaagd om een kind te redden uit een gebouw dat onvoldoende brandveilig was.’ Het citaat is van een uitdagende Marc Buelens in Trends. De emeritus professor management applaudisseert voor de groep stille ambtenaren die instaan voor continuïteit en voor de groep onbekende ambtenaren die data analyseren, notuleren, zuchten, voorstellen doen en soms gelijk krijgen van politici.

Als er ooit een coronacommissie komt, zal die moeten nagaan hoe onze overheden zich hebben voorbereid op een pandemie. Hopelijk wordt dan ook naar de tweede groep stille ambtenaren geluisterd. Ik vrees dat we zullen horen dat het gros van hun voorstellen nooit enige aandacht van hun ministers kregen. Mijn ervaring is dat politici geen nood hebben aan systeemdenkers in hun organisaties. Het liefst hebben ze punctuele experts aan het hoofd van hun diensten. ‘Maar de systeemdenkers zullen u vertellen dat ze vaak geboycot zijn, omdat er belangrijker zaken op de politieke agenda stonden. Denk maar aan Brussel-Halle-Vilvoorde, de bedrijfswagen en een vrij bizarre vergadering in Marrakesh’, schrijft Buelens terecht.

Omdat politici liever brandweerlieden dan preventiedenkers rond zich zien, zetten ze, zelfs in coronatijden, geen professionele structuur op, maar een chaotische nevenzetting van ontelbare taskforces. Ik mag hopen dat diezelfde politici nu niet bezig zijn met het verzamelen van munitie om straks de zwartepiet voor dat wanbeheer naar de systeemdenkers door te schuiven.

‘Ambtenaren kunnen ons beschermen tegen een volgende crisis’, stelt Buelens. Misschien hebben ze wel geprobeerd ons te beschermen tegen corona, maar kregen ze van hun ministers nul op het rekest. Vier jaar geleden werd ik door Taiwan gevraagd gastcolleges te geven in zijn administraties. Ik was verrast door de vele mondmaskers in de kantoren, in de restaurants en in de winkels. Mijn gastvrouw legde me uit dat Taiwan niet voorbereid was toen het SARS-virus in 2003 uitbrak. Maar daarna maakte men verregaande plannen voor een volgende epidemie.

Taiwan heeft bijzonder weinig coronabesmettingen en nagenoeg geen doden. Nochtans is er geen lockdown, de scholen en universiteiten bleven open en je kunt er nog altijd heerlijk eten in de vele levendige restaurants. Vier jaar geleden legde men me uit wat Taiwan zou doen bij een volgende Covid-epidemie: alle binnenkomende reizigers controleren en de zieke mensen niet alleen meteen in quarantaine plaatsen, maar ook strak controleren via hun smartphone. Aan Taiwanezen die uit het buitenland terugkomen, zou worden gevraagd 14 dagen in vrijwillige quarantaine te gaan. Nu blijkt dat dat moeiteloos wordt opgevolgd. Het was de eerste keer dat ik de term ‘track and trace’ hoorde gebruiken voor iets anders dan een zending volgen bij e-commerce. Het slotstuk van hun epidemieplan was ‘testen, testen, testen’, maar zeer gericht.

Bij mijn terugkeer sprak ik met enkele collega’s die zich met volksgezondheid bezighouden over mijn Taiwanervaring. Ze bleken helemaal niet verrast door mijn verhaal. Ze kenden allen het Taiwanese voorbeeld en waren ervan overtuigd dat er ooit een pandemie zou komen, maar wisten natuurlijk niet wanneer. ‘Dat laatste is het probleem als we politici warm willen maken voor een epidemieplan’, zei een van hen. ‘Politici zijn alleen bezig met de problemen van de dag en wuiven ons weg als paniekzaaiers.’

Zullen we, na corona, beter beveiligd zijn tegen gevaren voor onze gezondheid? Sommige uitspraken van invloedrijke politici doen me twijfelen. Nu blijkt dat bij groot gevaar voor de volksgezondheid één centrum van beslissing, actie en opvolging nodig is, pleit minister van Justitie Koen Geens in Knack voor de regionalisering van de gezondheidszorg.’De discussie over de contingentering van de artsen houdt dan eindelijk op’, argumenteert hij. Ja, daar liggen onze mensen echt wakker van. Bij een volgende epidemie en na de zevende staatshervorming kan Vlaanderen kiezen voor de losse Zweedse aanpak en Brussel en Wallonië voor een Franse totale lockdown. Dan zetten we toch gewoon militairen aan de taalgrens om Franstaligen weg te houden uit onze restaurants? En Marc Van Ranst zal het wel uitleggen aan de bevolking. Opgelost.

Naschrift

Deze tekst verscheen als column in De Tijd van 16 mei 2020.

Video Fire Brigade

In De Morgen van 16 mei 2020 microbioloog Herman Goossens dat ons land die lockdown wellicht had kunnen voorkomen als we het voorbeeld van Taiwan hadden gevolgd.

“Er moet zeker een doorlichting komen over hoe het is kunnen gebeuren dat wij niets wisten over Taiwan. Zij begonnen midden januari al met uitgebreid testen, opsporen en isoleren, zo blijkt nu. Hier moest toen nog de discussie begonnen over de vraag of dit wel of niet erger was dan de griep. Maar Taiwan is door China uit de Wereldgezondheidsorganisatie geweerd. Resultaat: de wereld kreeg van de WHO de Chinese aanpak in Wuhan voorgeschoteld als exemplarisch. Een extreme lockdown, dus. We hadden die informatie uit Taiwan moeten hebben. Dat is een les voor de toekomst. Waarom kon niemand deze cruciale kennis doorspelen? Nu is de wereld daardoor de mist ingegaan. We hadden die lockdown wellicht kunnen voorkomen.”

In Knack stelt Minister Geens dat de zorg best zo dicht mogelijk bij de mensen moet zitten. Daar heeft hij gelijk in. Maar regionalisering zorgt er niet voor dat zorg dicht bij de mensen zit. Of zorg nu door Vlaanderen beslist wordt of door de federale staat, het blijft ivoren toren aansturing. Onze gezondheidszorg moet vanuit twee principes hervormd worden: het subsidiariteitsprincipe (zorg op het laagst mogelijke optimale niveau) en het hierarchieprincipe (er wordt op het hoogste niveau beslist wanneer systemische problemen opduiken). Lezers die me al langer volgen weten dat ik voorstander ben van gemeentefusies. Gemeentes van minstens 50.000 inwoners kunnen beter voor zorg (maar ook voor arbeid en wonen) instaan dan de federale staat, de regio’s of de provincies.

 

 

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Dodenhuizen

All Your Buried Corpses Begin To Speak

Bill Orcutt – Odds Against Tomorrow, 2019

312 nieuwe opnames in het ziekenhuis, 1.200 patiënten op intensieve zorg en 301 overlijdens. Iedere dag, net voor 12 uur, floepen de cijfers op de schermen. De eerste dagen slaan de wrede cijfers je met verstomming. Daarna sluipt een evolutionair gestuurde berusting en toenemende gevoelloosheid je beleving binnen. Na een paar weken schuiven de cijferreeksen voorbij zoals kleine, herkenbare, eindeloos herhaalde motiefjes uit een door Philip Glass gecomponeerde soundtrack voor een irrealistische film.

Zo was het toch bij mij. Tot mijn mama van 86 besmet bleek met het coronavirus en met een zwaar zuurstofgebrek in het ziekenhuis opgenomen werd. In een van die dagelijkse cijfers, dat van de ziekenhuisopnames, zat plots mijn moeder. Je wil tegen alle verwachtingen in hoop koesteren, maar het onaanvaardbare inzicht groeit dat je je moet voorbereiden op het onvermijdelijke. Daarom vond je veertien dagen geleden geen column van mij op deze pagina’s. Ik was er niet toe in staat.

Eergisteren zat mijn mama weer in de cijferrij van professor Steven Van Gucht. Niet in dat lugubere getal waar ik zo bang voor was, maar in het cijfer dat het aantal mensen weergeeft dat het ziekenhuis kon verlaten. Mama mocht weer naar het woon-zorgcentrum dat ze als haar thuis ervaart. Iedereen in het rustoord, van de directeur tot de parttime schoonmaakster, was even blij met het kleine mirakel als ik.

Een paar weken eerder, toen mij moest worden gemeld dat het niet goed ging met mijn ma, had ik diezelfde stemmen gehoord. Toen klonken ze wanhopig, monotoon van opstapelende vermoeidheid en hoorde je een ondertoon van opgekropte woede. Die stemmen hoor je overal in Europa.

‘Ze wonen te dicht op elkaar, er is te weinig personeel, slecht opgeleid personeel’, klaagde de Zweedse arts en liberale politica Barbro Westerhelm aan in De Morgen. Het hoge aantal doden in de rustoorden wijt ze ‘aan twee decennia van bezuinigen op de zorg’. De kritiek gaat voor alle Europese landen op. We slachtofferen de kwetsbaarsten op het altaar van de begrotingsorthodoxie.

Westerhelm verwijt het de socialisten. In Nederland was de zorgafbouw het werk van liberalen. In ons land horen de christendemocraten diep in eigen ziel te kijken. Op 22 december 1981 trad Rika Steyaart aan als de eerste Vlaamse minister van Welzijn en Gezondheid. Ze werd opgevolgd door Jan Lenssens, Wivina Demeester, Luc Martens, Inge Vervotte, Steven Vanackere, Veerle Heeren, Jo Vandeurzen en Wouter Beke. 39 jaar is de welzijnspolitiek, met een paars-groene onderbreking van 5 jaar, in christendemocratische handen geweest. In die 39 jaar was er meer zorg voor de zuilinstellingen dan voor hun bewoners.

Nu blijkt dat het coronavirus de woon-zorgcentra, bij gebrek aan voorzorg en een doortastend optreden, tot dodenhuizen herleidt en het debacle van het christendemocratisch non-beleid blootlegt, zou je een in diepe nederigheid gedrenkte mea culpa verwachten. Maar als je alle christendemocraten – van wie sommigen minister van Welzijn waren of kabinetschef van welzijnsministers – beluistert die in ‘De afspraak’ hun opwachting maken, lijkt het alsof ze de afgelopen vier decennia in de oppositie zaten.

Schaamteloos stellen ze dat eindelijk werk gemaakt moet worden van een ander ouderenbeleid. Als mensen als Wouter Beke en Margot Cloet dat nieuwe beleid vormgeven, dreigt het even gespeend van empathie en creativiteit te zijn als hun aanpak van het bezoekrecht aan de ouderen in WZG’s. Straks kunnen we golfterreinen en kappers bezoeken maar onze ouders niet. ‘Ooit zal ouderenbezoek weer kunnen, maar niet gauw’, oreerde de topvrouw van Zorgnet-Icuro.

Mijn mama moet nu 14 dagen in quarantaine. Maar daarna wil ze na al die maanden kameropsluiting en na die verschrikkelijke ziekenhuiscalvarie graag nog eens haar enig kind zien. Maar naar dat soort sentimentaliteit heeft mevrouw Cloet geen oren. Bezoek is alleen mogelijk in een situatie van palliatieve zorgen. Als mijn mama mij wil zien, moet ze eerst stervende zijn van eenzaamheid.

Naschrift

Deze tekst verscheen als column in De Tijd van 2 mei 2020.

Video All Your Buried Corpses Begin To Speak

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Televergaderen

I want to be at the meeting
I want to be at the meeting
I want to be at the meeting, when all the saints get home
I want to be at the meeting, The Sensational Nightingales ‎– It’s Gonna Rain Again, 1972

‘De omstandigheden dwingen de Kamer eindelijk efficiënt te vergaderen en te werken. We kunnen nu elektronisch stemmen en moeten wel videoconferenties organiseren. Wat verdwijnt, is het debat om het debat, het vergaderen om het vergaderen’, zegt Kristof Calvo (Groen) in Knack.

Bijna dezelfde vaststelling hoorde ik van professor Stijn Baert in ‘De afspraak’, van schepen Mieke Van Hecke (CD&V) en van de Vlaams-nationalistische ondernemer Rudi De Kerpel. ‘Ik begrijp niet dat ik vroeger naar Mechelen ben gereden voor een zakelijk gesprek’, zei Rudi. ‘Nu heb ik een bijzonder productieve videoconference gehad, wat me misschien niet was gelukt als ik opgedraaid door de files zou arriveren.’

Als je voor het scherm zit, blijk je professioneler te vergaderen, ontdekten early adopters van het tijds- en plaatsonafhankelijk werken al. Je haalt het niet in je hoofd om uit te weiden, om uitgesponnen verhalen te vertellen over wat je juist is overkomen of om kwaad te spreken over de collega’s die weer te laat op de vergadering verschijnen. Dat laatste kan ook niet, want mensen komen zelden te laat op een videoconferentie.

Hulde aan de IT-mensen van organisaties die geen ervaring hadden met televergaderen die zich de afgelopen weken dubbel hebben geplooid om systemen op te bouwen. Hopelijk hebben de meeste gedwongen telewerkers van enkele voordelen van televergaderen geproefd.

De kans is groot dat ze zich afvragen waarom fysiek vergaderen op de werkplek zo verschrikkelijk amateuristisch verloopt. Het antwoord is eenvoudig: de meeste organisaties hebben geen vergaderbeleid of -cultuur.

Als er nog maar een begin van een probleem(pje) dreigt of als een opportuniteit zich voorzichtig aandient, roept de baas iedereen naar een dringende bijeenkomst. Meestal valt de eindbeslissing pas na ettelijke vergaderingen en zit de helft van de aanwezigen er voor spek en bonen bij.

In organisaties met een vergaderbeleid wordt vaak geopteerd voor een case paper, te schrijven door een paar experten-collega’s, waarop iedereen zijn opmerkingen kan geven.

Soms eindigt het daar, zeker als de beslissing is er niets mee te doen. Soms komt het tot een korte vergadering waarop een beperkte groep mensen de knoop doorhakt en iedereen geïnformeerd wordt over de beslissing.

In sommige bedrijven is zelfs geen probleem of opportuniteit nodig om vergaderingen te beleggen. Vergaderingen zijn een doel op zich. Iedere dinsdag is er een. Is er een agenda? Hoeft niet, we vinden wel iets.

Het ontbreken van een vergadercultuur kan je direct opmaken aan het aantal opengeslagen laptops of opstaande tablets waarachter vergaderaars zich verschansen om toch maar iets interessants te kunnen lezen, terwijl de baas de situatie van naaldje tot draadje uitlegt.

Bij volwassen organisaties kreeg je al een prima dossier dat je hoort gelezen te hebben voor de vergadering. Op de meeting hoeft niets toegelicht – ik gooide wie zich niet voorbereidde buiten, ze stalen de tijd van anderen en vergooiden hun recht om mee te beslissen – en kan onmiddellijk de bespreking beginnen. Het klinkt hardvochtig, maar wie het meemaakt, wil nooit nog ouderwets vergaderen.

Als je het geluk hebt bij een organisatie te werken met een degelijk vergaderbeleid, is er bitter weinig verschil tussen fysiek en televergaderen. Alleen kan je bij het fysiek vergaderen achteraf nog op café voor eindeloze sessies nutteloze, maar heerlijke smalltalk.

Naschrift

Deze tekst verscheen als column in De Tijd van 4 april 2020.

Video The Sensational Nightingales studioversie

Video The Sensational Nightingales stomende live-versie

 

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

In nood, mag en moet iedereen thuiswerken

But, I wasn’t prepared for this

Oh, I wasn’t prepared for this

But, I wasn’t prepared for this

I wasn’t prepared, Eisley, Room Noises, 2005

Of ik naar de studio wilde komen om mijn licht te laten schijnen over wat er allemaal anders zou kunnen uitzien nadat we met zijn allen corona uitgeziekt hebben, vroeg de lieve dame een paar dagen geleden. De amygdala van deze net 66-jarige, die niet zeker is of hij indien zwaar ziek wel aan het ademhalingstoestel wordt gelegd, legde mij meteen een formeel reisverbod op. Dat werd voor een keer niet tegengesproken door mijn prefrontale cortex, die me fijntjes verwees naar de column van Frederik Anseel. Die sprak zich terecht uit tegen het selecte groepje multi-inzetbare experts in de media, die, wat ook het thema van de dag is, menen dat ze hun niet zelden zelfingenomen en vooringenomen mening mordicus moeten verkondigen . En natuurlijk liet de frontale kwab zich de buitenkans niet ontglippen om te sissen: ‘Je zegt toch altijd dat je geen goeroe bent?

Als een expert volgens Anseel iemand is die 20 of 30 jaar lang elke dag besteed heeft aan één specifiek probleem, durf ik me wel een beetje bevoegd te noemen over organisatiecultuur en telewerk. Voor veel bedrijven en organisaties zal het niets veranderen. Als zelfs nu nog 10 procent van de werknemers die perfect thuis kunnen werken dat niet mag van de werkgever, weet je dat de controlecultuur nog welig tiert. Door dat koppige egocentrisme lopen de ouders en grootouders van de eigen werknemers een groter gevaar op sterfte door corona. Dat is voor een groot deel van onze managers nog geen reden om hun totale gebrek aan vertrouwen in hun mensen in vraag te stellen. Ik vrees dat werkgevers met dezelfde ingesteldheid, die met lange tanden toelaten dat mensen niet op kantoor verschijnen, zweren dat na de crisis van thuiswerk niets in huis komt.

Hopelijk ziet een grotere groep managers in dat thuiswerk grote voordelen heeft voor de maatschappij, de werknemer en de werkgever. Tegelijk dreigt het gevaar dat telewerksystemen opgebouwd worden vanuit de corona-ervaring. In weinig organisaties betekent thuiswerk dat je wekenlang geen voet zet in het bedrijfsgebouw, zoals nu het geval is. Uit de meeste onderzoeken blijkt dat mensen zich thuis beter kunnen concentreren omdat ze auditief en visueel minder afgeleid worden dan op kantoor. Maar de afgelopen dagen had drie vierde van de thuiswerkers de kinderen bij zich. Mogelijk was het voor veel mensen die voor het eerst aan telewerk deden onmogelijk fatsoenlijk te werken.

Daar komt bij dat mensen totaal onvoorbereid waren. Dat de plotse digitale overgang voor veel bedrijven grote technische problemen met zich meebracht, werd in deze krant uitvoerig belicht. Sommige thuiswerkers waren uren technisch werkloos. Het leidde bovendien tot een pak stress voor onervaren thuiswerkers, waar ze op kantoor geen last van hebben. Thuiswerk vergt meer zelfdiscipline en zelforganisatie en creëert twijfel. Doe ik wel genoeg? Doe ik het belangrijkste? Bedrijven die na een cultuurshift op flexibel werken overgaan, bereiden hun mensen daarop voor. Ultiem is het voor iedereen beter als de werknemer veel autonomie krijgt en niet constant de alwetende baas om raad moet vragen. Werknemers met een gerust gemoed hun eigen werk laten organiseren vereist veel tijd, opleiding en ondervinding.

Iets als corona komt één keer om de honderd jaar voor. Maar virologen wijzen erop dat we rekening moeten houden met een tweede coronagolf. Organisaties en bedrijven denken beter al na over een verstandig telewerkbeleid, zodat ze de volgende quarantaineperiode met minder productiviteitsverlies en in betere omstandigheden doorkomen. De overheid moet zich beraden over een degelijk flankerend beleid dat eindelijk afscheid neemt van het werkurentelraam. Een belastingvrije vergoeding van 126,94 (!) euro voor thuiswerk volstaat niet.

Naschrift

Deze tekst verscheen in De Tijd van 21 maart 2020.

Video I wasn’t prepared

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen