(In)Voelen

So just open up your eyes, old man

Look who’s come to say goodbye

The sun has left the sky, old man

The birds have flown away

And no one came to cry, old man

Goodbye, old man, goodbye

‘Old man’, Randy Newman, Sail Away, 1972

‘Plots kan je hele leven omslaan. Ik staar een volle minuut naar de grond. Mijn wereld is ingestort. Zeg me wat ik moet doen. Ik wil veranderen. We kunnen ons aanpassen. We hadden toch altijd vertrouwen in elkaar? We kunnen zelfs een open relatie hebben als dat nodig is. Ik kijk naar haar, ze kijkt me aan, maar haar ogen glanzen alsof ze dwars door me heen kijkt. Dan sluit ze haar ogen voor wat een eeuwigheid lijkt. Dan kijkt ze naar haar voeten. Ik draai mijn handpalm omhoog om naar de lucht te kijken, raakt de onderkant van haar kin aan en zuchtte. Omdat ik me mijn leven zonder jou en mij niet kan voorstellen. Omdat er dingen zullen gebeuren die ik me niet kan voorstellen, dingen waaraan ik niet wil denken. Ondertussen zegt dat mannetje in mij: “Droog je ogen af, ik weet dat het moeilijk te nemen is, maar haar besluit is genomen. Overigens: er zit nog veel meer vis in de zee. Droog je ogen af, ik weet dat je haar wilt laten zien hoeveel pijn dit doet, maar je moet nu weglopen, het is voorbij’.

‘Er komt een geboortegolf en een echtscheidingstornado op ons af’, las ik die vroege ochtend, en net dan kiest mijn computer uit de miljoenen songs die ik mijn hele leven al verzamel die ene song die de verschrikkelijke menselijke tragedie weergeeft waarbij de ene partner aan de andere zegt dat het voorbij is. ‘Dry your eyes’ van The Streets, een groepsnaam die staat voor Mike Skinner, een briljante Britse rapper en muzikant. De computer beleeft blijkbaar zijn existentieel moment. ‘This is the happy house, we’re happy here in the happy house. To forget ourselves and pretend all’s well. There is no hell’, zingt Siouxsie van de Banshees vals opgewekt na de ijselijke beschrijving van Skinner.

Coïncidentie zou het woord van de dag zijn. We zagen na veel tijd vrienden. Iemand zei dat zijn dochter zwanger was, een ander dat zijn zoon beslist had te scheiden. Zijn vrouw was doodsbang dat ze haar kleinkinderen niet meer zou zien. ‘Dat is het lot van een op de vijf grootouders na een scheiding’, snikte ze. Iedereen voelde enorm mee met haar. We wisten dat ze een paar weken eerder haar moeder had verloren. In het rustoord van haar ma had corona heftig toegeslagen. Er waren geen mondmaskers en geen handschoenen.

‘Die waren er wel in het rustoord van mijn moeder,’ zei weer een andere vriend, ‘maar de drie maanden zonder contact hebben haar in complete dementie gestort. Dat ze uit haar kamer moest omdat haar gang een corona-afdeling moest worden, heeft ook niet geholpen. En ze verstond helemaal niet dat ze enkel haar dochter en geen van haar zoons zag opdagen wanneer eindelijk bezoek toegelaten was.’ Van alle aanwezigen was er maar een van wie de moeder – geen enkele vader was nog in leven – nog in haar eigen huis woonde. Ze had de hele crisis rustig meegemaakt. Was nooit haar huis uit gedurfd, maar had iedere dag een kind gezien

Wij, die onze mama in het rustoord hebben geplaatst, waren allemaal een beetje jaloers. Ook een beetje beschaamd. We waren allemaal zo druk in de weer geweest met ons eigen leven. Dus was er geen alternatief toen onze moeders hulpbehoevend werden. Maar zelf willen we nooit in het rustoord van onze moeder terechtkomen. Niet dat er een spat kritiek was op de verzorgenden in de rustoorden (niemand gebruikt het woord woon-zorgcentrum). Woede op onze tekortschietende beleidsmakers was er te over.

Dat weekend waren reconstructies verschenen over hoe de besluitvorming was verlopen in de woon-zorgcentra, en dat was niet van dien aard om de scherpte van de commentaren te verzachten. De algemene teneur was: natuurlijk was het voortdurend leren met een onbekende, dodende ziekte, maar helemaal onvoorbereid zijn en dan too little too late maatregelen treffen is onvergeeflijk.

Een vriendin fluisterde ‘en dat totale gebrek aan empathie van die politici, in een land dat 10.000 coronadoden kent’. De kamer ontplofte. Het was voor iedereen de belangrijkste vaststelling van de coronacrisis. De Crem had net zijn intussen beruchte woorden ‘De regel over het zich niet bewegend verplaatsen in parken is nog altijd van toepassing, de mogelijkheid om te verbaliseren ook’ uitgesproken. Maar van een aan repressie verslaafde, zelfingenomen kromprater had men niet meer verwacht.

‘Er is evenveel nood aan een structureel noodplan voor de geestelijke gezondheid van de Belg als voor de economie en de werkgelegenheid’, vond men. ‘Is het nu zoveel gevraagd om een dag van rouw uit te roepen voor onze ouders en vrienden’, vroeg de vrouw van de scheidende zoon. ‘Ja, maar dan met ziekenhuis- en rustoordenpersoneel en zonder politici op de eerste rij’, zei de oudste van de groep.

Naschrift

Deze tekst verscheen als column in De Tijd van 13 juni 2020.

Video Old Man.

Video Dry Your Eyes

Video Happy House

Lees ook Luc Bonneux

 

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Donkerblauw

We people who are darker than blue

Are we gonna stand around this town

And let what others say come true?

We people who are darker than blue, Curtis Mayfield, Curtis 1970

Voor een keer waren de Wetstraat-journalisten het eens: met Egbert Lachaert kozen de liberalen voor een donkerblauwe voorzitter. Ik werd in een ver verleden door een allang vergeten journalist als donkerrood omschreven omdat ik bij Red Star Sluizeken voetbalde, een stelletje langharige, bebaarde wetswinkeliers en ander links-alternatief gespuis dat er een hels genoegen in schiep respectabele elftallen zoals Humo’s Onoverwinnelijke Elf in de pan te hakken. Frank Raes kan er nog altijd niet om lachen.

Red Star Sluizeken bestaat nog altijd. Een van zijn trotse dieprodetruidragers is ene Egbert Lachaert. De Red Stars hebben destijds over zijn kandidatuur even lang gediscuteerd als de Open VLD-partijtop in 2012, toen hij het als vrijwel onbekende en verschrikkelijk tegen hun zin opnam tegen de donkerblauwe Gwendolyn Rutten. Toen werd Lachaert geen partijvoorzitter, maar wel een Red Star. Omdat hij een grappige vent en een typisch product van het vrijgevochten intellectuele bastion Atheneum Voskenslaan was, en zich als OCMW-voorzitter in Merelbeke een bijzonder sociaal agerende manager toonde.

Wat bedoelen die Wetstraat-journalisten eigenlijk als ze iemand donkerblauw noemen? Hebben ze het over iemand die de overheid als een vijand ziet? Die meent dat de vrije markt de onbeperkte vrijloop moet krijgen, omdat zijn onzichtbare hand ons naar een stralende toekomst leidt en die elke belasting bestrijdt alsof het een aantasting van het VN-handvest is?

Dan is Egbert Lachaert even weinig donkerblauw als Conner Rousseau donkerrood is. Beiden zijn slachtoffer van het ééndimensionale profiel waarmee luie, elkaar naschrijvende Wetstraat-watchers opkomende politici wegschrijven. Mensen dreigen die etiketten voor waar te nemen als ze maar genoeg herhaald worden. Zelfs econoom Stijn Baert lijkt erin te tuinen. Je leest zijn totale verrassing als Rousseau in Knack met volle overtuiging ‘ja!’ zegt op zijn vraag: ‘Of vindt de sp.a net zoals ik dat het verschil tussen wie werkt en wie niet-werkt wel groter mag worden?’

Rousseau was er als de kippen bij om Lachaert geluk te wensen met zijn verkiezing. ‘Ik kijk ernaar uit om samen een nieuwe wind in de politiek te doen waaien’, tweette hij. Het was veel meer dan een beleefde groet. De twee voelen veel beter het DNA van de 21ste-eeuwse Vlaming aan dan de meeste van hun collega’s. Dat kan je niet van hun CD&V-collega, Joachim Coens, zeggen. Oudere leden en West-Vlamingen ‘kozen met hem een leider naar hun beeltenis en niet iemand die misschien de rest van de samenleving zou kunnen inspireren, zoals Sammy Mahdi’, laat Jan Callebaut optekenen in zijn en Ivan De Vadders recente boek. Dat is een gemiste kans. Niet alleen voor de CD&V. Het trio Sammy, Egbert en Conner had het potentieel de gemiddelde Vlaming weer vertrouwen te laten krijgen in zijn politiek personeel.

Nu de discussie over hoe je een land moet organiseren om aan iets als een pandemie het hoofd te bieden onvermijdelijk wordt, valt op dat Lachaert en Rousseau zich niet laten vangen aan een middelendiscussie (regionaliseren! federaliseren!). Ze gaan uit van een doortastende overheid tijdens crisissen en het subsidiariteitsprincipe in rustiger tijden. Misschien leggen ze daarmee wel de grondslag voor een volwaardige, compacte regering. Die niet alleen in coronatijden meer belang hecht aan expertise en wetenschappelijke evidentie dan aan enge partijbelangen, aftandse ideologie en schaamteloze postenpakkerij. Een ploeg die zich niet bezondigt aan micromanagement en zich dus beperkt tot de grote lijnen. Je hoeft geen donkerblauwe te zijn om een broertje dood te hebben aan de regelneverij van bemoeizuchtige ministers, die opleggen hoeveel minuten grootouders hun kleinkind mogen knuffelen en hoeveel kramen op een markt mogen staan. We hebben een compacte regering nodig met ministers die niet elke zin beginnen met ‘het is belangrijk dat’, maar die belangrijke dingen doen.

Lachaert en Rousseau kunnen het verschil maken. Niet alleen voor hun uitgewoonde partijen, maar ook voor ons politiek systeem, onze welvaart en ons welzijn. Maar gerust kan je er niet in zijn. Het partijvoorzitterschap kan rare dingen doen met mensen. Ik heb de meest beminnelijke, grappige en relativerende mensen in onverbiddelijke machtpatsers zien veranderen nadat ze de partij in handen hadden gekregen. Abraham Lincolns beroemde boutade ‘als je het karakter van een mens wilt leren kennen, moet je hem macht geven’, is op geen enkele mensensoort zo van toepassing als op partijvoorzitters.

Naschrift

Deze tekst verscheen in De Tijd van zaterdag 30 mei 2020.

Video We people who are darker than blue, 1970 versie

Video We people who are darker than blue, 1996 versie

In De Morgen van zaterdag 30 mei 2020 legt Egbert Lachaert uit hoe belangrijk Red Star voor hem is. “Mijn ploeg heet de Red Star Gent en is lang geleden opgericht door studenten van Amada (voorganger van PVDA, red.), zoals Frank Van Massenhove”, laat hij optekenen.

Close but no cigar.

De oprichters van Red Star waren heftig linkse mannen, maar geen ervan was toen lid van een partij. De meesten, waaronder uw dienaar, vonden alle uiterst linkse partijen sektarisch en humorloos. Niet dat we iets voelden voor de traditionele partijen: socialisten en liberalen verkochten hun ziel voor een paar ministerposten aan de machtswellustellingen van de vrouw- en homovijandige CVP en de Volksunie telde te veel collaborateurs. Bob Dylan’s devies was het onze: “Don’t follow leaders, follow parking meters.”

Aan de allang vergeten journalist gaf ik indertijd toe dat ik marxist was. Een Groucho Marxist, weliswaar. “I don’t want to belong to any club that will accept me as a member” is de enige regel van de leer. In die tijd wisten mensen nog wie de Marx Brothers waren. Toen de man en paar jaar later een door niemand gelezen boek uitbracht, stuurde ik hem een gele briefkaart met een andere Groucho quote: “From the moment I picked up your book until I put it down, I was convulsed with laughter. Some day I intend reading it.” Hij stuurde me een antwoord: “I never forget a face, but in your case I’ll be glad to make an exception (Groucho Marx)”. Heerlijk.

Alle nieuwe voorzitters van de traditionele partijen denken eraan om de partijnaam te veranderen. Terecht. Je wilt je toch niets voorstellen bij “Open Vlaamse Liberalen en Democraten”? Die a in SP.a, die dateert uit de tijd dat Groen nog Agalev heette en Steve Stevaert hen letterlijk als aanhangsel van zijn partij zag. En die ampersant in CD&V die volgens de toenmalige voorzitter eigenlijk belangrijker was dan de letters – hij heeft gelijk gekregen – is te belachelijk voor woorden.

Ik hoop dat de nieuwe voorzitters geen geld verkwisten aan kostelijke ontwerp- en communicatiebureaus die toch weer zullen komen aandraven met Wetstraatfähige namen die niemand begrijpt. Mijn raad: noem je zoals de dorpstraat je kent. Socialisten worden De Sossen, liberalen De Blauwen en CD&V wordt De Tjeven of gewoon weer CVP met als ondertitel: “Principes zijn als winden”, als hulde aan Gaston Eyskens. Voor de niet-kerkelijken, de volledige quote luidt: “Principes zijn als winden. Je houdt ze vast zolang je kunt, maar als je niét meer kunt, laat je ze heel stilletjes los. Zonder dat iemand het merkt”. De oude staatsman kende zijn klassiekers en dus ook Groucho Marx. Die zegde het hem al voor: “Those are my principles, and if you don’t like them… well I have others.”

Ach, Kaaiman. Ik ga je zo missen.

 

Geplaatst in Geen categorie | 1 reactie

Brandjes blussen

Run and get the fire brigade

Get the fire brigade

See the buildings start to really burn

Fire brigade, The Move, 1968

‘Ik geef liever applaus voor de ambtenaar die voor een betere brandveiligheid in een torenflat heeft geknokt dan voor de brandweerman die zijn leven heeft gewaagd om een kind te redden uit een gebouw dat onvoldoende brandveilig was.’ Het citaat is van een uitdagende Marc Buelens in Trends. De emeritus professor management applaudisseert voor de groep stille ambtenaren die instaan voor continuïteit en voor de groep onbekende ambtenaren die data analyseren, notuleren, zuchten, voorstellen doen en soms gelijk krijgen van politici.

Als er ooit een coronacommissie komt, zal die moeten nagaan hoe onze overheden zich hebben voorbereid op een pandemie. Hopelijk wordt dan ook naar de tweede groep stille ambtenaren geluisterd. Ik vrees dat we zullen horen dat het gros van hun voorstellen nooit enige aandacht van hun ministers kregen. Mijn ervaring is dat politici geen nood hebben aan systeemdenkers in hun organisaties. Het liefst hebben ze punctuele experts aan het hoofd van hun diensten. ‘Maar de systeemdenkers zullen u vertellen dat ze vaak geboycot zijn, omdat er belangrijker zaken op de politieke agenda stonden. Denk maar aan Brussel-Halle-Vilvoorde, de bedrijfswagen en een vrij bizarre vergadering in Marrakesh’, schrijft Buelens terecht.

Omdat politici liever brandweerlieden dan preventiedenkers rond zich zien, zetten ze, zelfs in coronatijden, geen professionele structuur op, maar een chaotische nevenzetting van ontelbare taskforces. Ik mag hopen dat diezelfde politici nu niet bezig zijn met het verzamelen van munitie om straks de zwartepiet voor dat wanbeheer naar de systeemdenkers door te schuiven.

‘Ambtenaren kunnen ons beschermen tegen een volgende crisis’, stelt Buelens. Misschien hebben ze wel geprobeerd ons te beschermen tegen corona, maar kregen ze van hun ministers nul op het rekest. Vier jaar geleden werd ik door Taiwan gevraagd gastcolleges te geven in zijn administraties. Ik was verrast door de vele mondmaskers in de kantoren, in de restaurants en in de winkels. Mijn gastvrouw legde me uit dat Taiwan niet voorbereid was toen het SARS-virus in 2003 uitbrak. Maar daarna maakte men verregaande plannen voor een volgende epidemie.

Taiwan heeft bijzonder weinig coronabesmettingen en nagenoeg geen doden. Nochtans is er geen lockdown, de scholen en universiteiten bleven open en je kunt er nog altijd heerlijk eten in de vele levendige restaurants. Vier jaar geleden legde men me uit wat Taiwan zou doen bij een volgende Covid-epidemie: alle binnenkomende reizigers controleren en de zieke mensen niet alleen meteen in quarantaine plaatsen, maar ook strak controleren via hun smartphone. Aan Taiwanezen die uit het buitenland terugkomen, zou worden gevraagd 14 dagen in vrijwillige quarantaine te gaan. Nu blijkt dat dat moeiteloos wordt opgevolgd. Het was de eerste keer dat ik de term ‘track and trace’ hoorde gebruiken voor iets anders dan een zending volgen bij e-commerce. Het slotstuk van hun epidemieplan was ‘testen, testen, testen’, maar zeer gericht.

Bij mijn terugkeer sprak ik met enkele collega’s die zich met volksgezondheid bezighouden over mijn Taiwanervaring. Ze bleken helemaal niet verrast door mijn verhaal. Ze kenden allen het Taiwanese voorbeeld en waren ervan overtuigd dat er ooit een pandemie zou komen, maar wisten natuurlijk niet wanneer. ‘Dat laatste is het probleem als we politici warm willen maken voor een epidemieplan’, zei een van hen. ‘Politici zijn alleen bezig met de problemen van de dag en wuiven ons weg als paniekzaaiers.’

Zullen we, na corona, beter beveiligd zijn tegen gevaren voor onze gezondheid? Sommige uitspraken van invloedrijke politici doen me twijfelen. Nu blijkt dat bij groot gevaar voor de volksgezondheid één centrum van beslissing, actie en opvolging nodig is, pleit minister van Justitie Koen Geens in Knack voor de regionalisering van de gezondheidszorg.’De discussie over de contingentering van de artsen houdt dan eindelijk op’, argumenteert hij. Ja, daar liggen onze mensen echt wakker van. Bij een volgende epidemie en na de zevende staatshervorming kan Vlaanderen kiezen voor de losse Zweedse aanpak en Brussel en Wallonië voor een Franse totale lockdown. Dan zetten we toch gewoon militairen aan de taalgrens om Franstaligen weg te houden uit onze restaurants? En Marc Van Ranst zal het wel uitleggen aan de bevolking. Opgelost.

Naschrift

Deze tekst verscheen als column in De Tijd van 16 mei 2020.

Video Fire Brigade

In De Morgen van 16 mei 2020 microbioloog Herman Goossens dat ons land die lockdown wellicht had kunnen voorkomen als we het voorbeeld van Taiwan hadden gevolgd.

“Er moet zeker een doorlichting komen over hoe het is kunnen gebeuren dat wij niets wisten over Taiwan. Zij begonnen midden januari al met uitgebreid testen, opsporen en isoleren, zo blijkt nu. Hier moest toen nog de discussie begonnen over de vraag of dit wel of niet erger was dan de griep. Maar Taiwan is door China uit de Wereldgezondheidsorganisatie geweerd. Resultaat: de wereld kreeg van de WHO de Chinese aanpak in Wuhan voorgeschoteld als exemplarisch. Een extreme lockdown, dus. We hadden die informatie uit Taiwan moeten hebben. Dat is een les voor de toekomst. Waarom kon niemand deze cruciale kennis doorspelen? Nu is de wereld daardoor de mist ingegaan. We hadden die lockdown wellicht kunnen voorkomen.”

In Knack stelt Minister Geens dat de zorg best zo dicht mogelijk bij de mensen moet zitten. Daar heeft hij gelijk in. Maar regionalisering zorgt er niet voor dat zorg dicht bij de mensen zit. Of zorg nu door Vlaanderen beslist wordt of door de federale staat, het blijft ivoren toren aansturing. Onze gezondheidszorg moet vanuit twee principes hervormd worden: het subsidiariteitsprincipe (zorg op het laagst mogelijke optimale niveau) en het hierarchieprincipe (er wordt op het hoogste niveau beslist wanneer systemische problemen opduiken). Lezers die me al langer volgen weten dat ik voorstander ben van gemeentefusies. Gemeentes van minstens 50.000 inwoners kunnen beter voor zorg (maar ook voor arbeid en wonen) instaan dan de federale staat, de regio’s of de provincies.

 

 

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Dodenhuizen

All Your Buried Corpses Begin To Speak

Bill Orcutt – Odds Against Tomorrow, 2019

312 nieuwe opnames in het ziekenhuis, 1.200 patiënten op intensieve zorg en 301 overlijdens. Iedere dag, net voor 12 uur, floepen de cijfers op de schermen. De eerste dagen slaan de wrede cijfers je met verstomming. Daarna sluipt een evolutionair gestuurde berusting en toenemende gevoelloosheid je beleving binnen. Na een paar weken schuiven de cijferreeksen voorbij zoals kleine, herkenbare, eindeloos herhaalde motiefjes uit een door Philip Glass gecomponeerde soundtrack voor een irrealistische film.

Zo was het toch bij mij. Tot mijn mama van 86 besmet bleek met het coronavirus en met een zwaar zuurstofgebrek in het ziekenhuis opgenomen werd. In een van die dagelijkse cijfers, dat van de ziekenhuisopnames, zat plots mijn moeder. Je wil tegen alle verwachtingen in hoop koesteren, maar het onaanvaardbare inzicht groeit dat je je moet voorbereiden op het onvermijdelijke. Daarom vond je veertien dagen geleden geen column van mij op deze pagina’s. Ik was er niet toe in staat.

Eergisteren zat mijn mama weer in de cijferrij van professor Steven Van Gucht. Niet in dat lugubere getal waar ik zo bang voor was, maar in het cijfer dat het aantal mensen weergeeft dat het ziekenhuis kon verlaten. Mama mocht weer naar het woon-zorgcentrum dat ze als haar thuis ervaart. Iedereen in het rustoord, van de directeur tot de parttime schoonmaakster, was even blij met het kleine mirakel als ik.

Een paar weken eerder, toen mij moest worden gemeld dat het niet goed ging met mijn ma, had ik diezelfde stemmen gehoord. Toen klonken ze wanhopig, monotoon van opstapelende vermoeidheid en hoorde je een ondertoon van opgekropte woede. Die stemmen hoor je overal in Europa.

‘Ze wonen te dicht op elkaar, er is te weinig personeel, slecht opgeleid personeel’, klaagde de Zweedse arts en liberale politica Barbro Westerhelm aan in De Morgen. Het hoge aantal doden in de rustoorden wijt ze ‘aan twee decennia van bezuinigen op de zorg’. De kritiek gaat voor alle Europese landen op. We slachtofferen de kwetsbaarsten op het altaar van de begrotingsorthodoxie.

Westerhelm verwijt het de socialisten. In Nederland was de zorgafbouw het werk van liberalen. In ons land horen de christendemocraten diep in eigen ziel te kijken. Op 22 december 1981 trad Rika Steyaart aan als de eerste Vlaamse minister van Welzijn en Gezondheid. Ze werd opgevolgd door Jan Lenssens, Wivina Demeester, Luc Martens, Inge Vervotte, Steven Vanackere, Veerle Heeren, Jo Vandeurzen en Wouter Beke. 39 jaar is de welzijnspolitiek, met een paars-groene onderbreking van 5 jaar, in christendemocratische handen geweest. In die 39 jaar was er meer zorg voor de zuilinstellingen dan voor hun bewoners.

Nu blijkt dat het coronavirus de woon-zorgcentra, bij gebrek aan voorzorg en een doortastend optreden, tot dodenhuizen herleidt en het debacle van het christendemocratisch non-beleid blootlegt, zou je een in diepe nederigheid gedrenkte mea culpa verwachten. Maar als je alle christendemocraten – van wie sommigen minister van Welzijn waren of kabinetschef van welzijnsministers – beluistert die in ‘De afspraak’ hun opwachting maken, lijkt het alsof ze de afgelopen vier decennia in de oppositie zaten.

Schaamteloos stellen ze dat eindelijk werk gemaakt moet worden van een ander ouderenbeleid. Als mensen als Wouter Beke en Margot Cloet dat nieuwe beleid vormgeven, dreigt het even gespeend van empathie en creativiteit te zijn als hun aanpak van het bezoekrecht aan de ouderen in WZG’s. Straks kunnen we golfterreinen en kappers bezoeken maar onze ouders niet. ‘Ooit zal ouderenbezoek weer kunnen, maar niet gauw’, oreerde de topvrouw van Zorgnet-Icuro.

Mijn mama moet nu 14 dagen in quarantaine. Maar daarna wil ze na al die maanden kameropsluiting en na die verschrikkelijke ziekenhuiscalvarie graag nog eens haar enig kind zien. Maar naar dat soort sentimentaliteit heeft mevrouw Cloet geen oren. Bezoek is alleen mogelijk in een situatie van palliatieve zorgen. Als mijn mama mij wil zien, moet ze eerst stervende zijn van eenzaamheid.

Naschrift

Deze tekst verscheen als column in De Tijd van 2 mei 2020.

Video All Your Buried Corpses Begin To Speak

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Televergaderen

I want to be at the meeting
I want to be at the meeting
I want to be at the meeting, when all the saints get home
I want to be at the meeting, The Sensational Nightingales ‎– It’s Gonna Rain Again, 1972

‘De omstandigheden dwingen de Kamer eindelijk efficiënt te vergaderen en te werken. We kunnen nu elektronisch stemmen en moeten wel videoconferenties organiseren. Wat verdwijnt, is het debat om het debat, het vergaderen om het vergaderen’, zegt Kristof Calvo (Groen) in Knack.

Bijna dezelfde vaststelling hoorde ik van professor Stijn Baert in ‘De afspraak’, van schepen Mieke Van Hecke (CD&V) en van de Vlaams-nationalistische ondernemer Rudi De Kerpel. ‘Ik begrijp niet dat ik vroeger naar Mechelen ben gereden voor een zakelijk gesprek’, zei Rudi. ‘Nu heb ik een bijzonder productieve videoconference gehad, wat me misschien niet was gelukt als ik opgedraaid door de files zou arriveren.’

Als je voor het scherm zit, blijk je professioneler te vergaderen, ontdekten early adopters van het tijds- en plaatsonafhankelijk werken al. Je haalt het niet in je hoofd om uit te weiden, om uitgesponnen verhalen te vertellen over wat je juist is overkomen of om kwaad te spreken over de collega’s die weer te laat op de vergadering verschijnen. Dat laatste kan ook niet, want mensen komen zelden te laat op een videoconferentie.

Hulde aan de IT-mensen van organisaties die geen ervaring hadden met televergaderen die zich de afgelopen weken dubbel hebben geplooid om systemen op te bouwen. Hopelijk hebben de meeste gedwongen telewerkers van enkele voordelen van televergaderen geproefd.

De kans is groot dat ze zich afvragen waarom fysiek vergaderen op de werkplek zo verschrikkelijk amateuristisch verloopt. Het antwoord is eenvoudig: de meeste organisaties hebben geen vergaderbeleid of -cultuur.

Als er nog maar een begin van een probleem(pje) dreigt of als een opportuniteit zich voorzichtig aandient, roept de baas iedereen naar een dringende bijeenkomst. Meestal valt de eindbeslissing pas na ettelijke vergaderingen en zit de helft van de aanwezigen er voor spek en bonen bij.

In organisaties met een vergaderbeleid wordt vaak geopteerd voor een case paper, te schrijven door een paar experten-collega’s, waarop iedereen zijn opmerkingen kan geven.

Soms eindigt het daar, zeker als de beslissing is er niets mee te doen. Soms komt het tot een korte vergadering waarop een beperkte groep mensen de knoop doorhakt en iedereen geïnformeerd wordt over de beslissing.

In sommige bedrijven is zelfs geen probleem of opportuniteit nodig om vergaderingen te beleggen. Vergaderingen zijn een doel op zich. Iedere dinsdag is er een. Is er een agenda? Hoeft niet, we vinden wel iets.

Het ontbreken van een vergadercultuur kan je direct opmaken aan het aantal opengeslagen laptops of opstaande tablets waarachter vergaderaars zich verschansen om toch maar iets interessants te kunnen lezen, terwijl de baas de situatie van naaldje tot draadje uitlegt.

Bij volwassen organisaties kreeg je al een prima dossier dat je hoort gelezen te hebben voor de vergadering. Op de meeting hoeft niets toegelicht – ik gooide wie zich niet voorbereidde buiten, ze stalen de tijd van anderen en vergooiden hun recht om mee te beslissen – en kan onmiddellijk de bespreking beginnen. Het klinkt hardvochtig, maar wie het meemaakt, wil nooit nog ouderwets vergaderen.

Als je het geluk hebt bij een organisatie te werken met een degelijk vergaderbeleid, is er bitter weinig verschil tussen fysiek en televergaderen. Alleen kan je bij het fysiek vergaderen achteraf nog op café voor eindeloze sessies nutteloze, maar heerlijke smalltalk.

Naschrift

Deze tekst verscheen als column in De Tijd van 4 april 2020.

Video The Sensational Nightingales studioversie

Video The Sensational Nightingales stomende live-versie

 

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

In nood, mag en moet iedereen thuiswerken

But, I wasn’t prepared for this

Oh, I wasn’t prepared for this

But, I wasn’t prepared for this

I wasn’t prepared, Eisley, Room Noises, 2005

Of ik naar de studio wilde komen om mijn licht te laten schijnen over wat er allemaal anders zou kunnen uitzien nadat we met zijn allen corona uitgeziekt hebben, vroeg de lieve dame een paar dagen geleden. De amygdala van deze net 66-jarige, die niet zeker is of hij indien zwaar ziek wel aan het ademhalingstoestel wordt gelegd, legde mij meteen een formeel reisverbod op. Dat werd voor een keer niet tegengesproken door mijn prefrontale cortex, die me fijntjes verwees naar de column van Frederik Anseel. Die sprak zich terecht uit tegen het selecte groepje multi-inzetbare experts in de media, die, wat ook het thema van de dag is, menen dat ze hun niet zelden zelfingenomen en vooringenomen mening mordicus moeten verkondigen . En natuurlijk liet de frontale kwab zich de buitenkans niet ontglippen om te sissen: ‘Je zegt toch altijd dat je geen goeroe bent?

Als een expert volgens Anseel iemand is die 20 of 30 jaar lang elke dag besteed heeft aan één specifiek probleem, durf ik me wel een beetje bevoegd te noemen over organisatiecultuur en telewerk. Voor veel bedrijven en organisaties zal het niets veranderen. Als zelfs nu nog 10 procent van de werknemers die perfect thuis kunnen werken dat niet mag van de werkgever, weet je dat de controlecultuur nog welig tiert. Door dat koppige egocentrisme lopen de ouders en grootouders van de eigen werknemers een groter gevaar op sterfte door corona. Dat is voor een groot deel van onze managers nog geen reden om hun totale gebrek aan vertrouwen in hun mensen in vraag te stellen. Ik vrees dat werkgevers met dezelfde ingesteldheid, die met lange tanden toelaten dat mensen niet op kantoor verschijnen, zweren dat na de crisis van thuiswerk niets in huis komt.

Hopelijk ziet een grotere groep managers in dat thuiswerk grote voordelen heeft voor de maatschappij, de werknemer en de werkgever. Tegelijk dreigt het gevaar dat telewerksystemen opgebouwd worden vanuit de corona-ervaring. In weinig organisaties betekent thuiswerk dat je wekenlang geen voet zet in het bedrijfsgebouw, zoals nu het geval is. Uit de meeste onderzoeken blijkt dat mensen zich thuis beter kunnen concentreren omdat ze auditief en visueel minder afgeleid worden dan op kantoor. Maar de afgelopen dagen had drie vierde van de thuiswerkers de kinderen bij zich. Mogelijk was het voor veel mensen die voor het eerst aan telewerk deden onmogelijk fatsoenlijk te werken.

Daar komt bij dat mensen totaal onvoorbereid waren. Dat de plotse digitale overgang voor veel bedrijven grote technische problemen met zich meebracht, werd in deze krant uitvoerig belicht. Sommige thuiswerkers waren uren technisch werkloos. Het leidde bovendien tot een pak stress voor onervaren thuiswerkers, waar ze op kantoor geen last van hebben. Thuiswerk vergt meer zelfdiscipline en zelforganisatie en creëert twijfel. Doe ik wel genoeg? Doe ik het belangrijkste? Bedrijven die na een cultuurshift op flexibel werken overgaan, bereiden hun mensen daarop voor. Ultiem is het voor iedereen beter als de werknemer veel autonomie krijgt en niet constant de alwetende baas om raad moet vragen. Werknemers met een gerust gemoed hun eigen werk laten organiseren vereist veel tijd, opleiding en ondervinding.

Iets als corona komt één keer om de honderd jaar voor. Maar virologen wijzen erop dat we rekening moeten houden met een tweede coronagolf. Organisaties en bedrijven denken beter al na over een verstandig telewerkbeleid, zodat ze de volgende quarantaineperiode met minder productiviteitsverlies en in betere omstandigheden doorkomen. De overheid moet zich beraden over een degelijk flankerend beleid dat eindelijk afscheid neemt van het werkurentelraam. Een belastingvrije vergoeding van 126,94 (!) euro voor thuiswerk volstaat niet.

Naschrift

Deze tekst verscheen in De Tijd van 21 maart 2020.

Video I wasn’t prepared

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Noodthuiswerken

Here’s one thing I want you all to hear

If they don’t bring back light wine, gin and beer

Doggone the panic will be on.

‘The Panic Is On’, Loudon Wainwright III, 10 Songs For The New Depression, 2006

Dezer dagen word ik nog meer dan vroeger gebeld met de vraag hoe je thuiswerk moet organiseren. Maar waar er vroeger interesse was omdat het bedrijf zijn werknemers meer autonomie wil geven, omdat het er een wapen voor war for talent in ziet of omdat het wil besparen op de bedrijfsoppervlakte, is de reden nu het coronavirus. De telefoontjes, mails en WhatsApp-berichten namen hand over hand toe nadat de Wereldgezondheidsorganisatie thuiswerk aanraadde. En met iedere journalist die “geen reden voor paniek” prevelt bij beelden van een coronavergadering waarop nagenoeg iedere minister die ons land telt, aanwezig is, stijgt de ongerustheidthermometer in directievertrekken naar ongekende hoogtes. 

Ook Nederlandse thuiswerkadviseurs melden me een verhoogde vraag na een korte reportage op RTL over de verregaande maatregelen die Nestlé Nederland genomen had in de strijd tegen corona. Je mag er niemand nog een hand geven, je moet een meter afstand van elkaar houden en als je kucht of niest moet dat in de arm. Trainingen, seminaries, conferenties en alle vergaderingen buiten de deur zijn afgezegd. Maar vooral: sommige mensen moeten verplicht thuiswerken.

Anders dan wanneer organisaties thuiswerk overwegen vanuit een aangepaste bedrijfscultuur, blijkt uit de eerste contacten met coronapaniekerige CEO’s en hr-directeurs vooral totale improvisatie. Op de vraag of de IT-systemen aangepast zijn om mensen toe te laten professioneel hun werk thuis uit te voeren, volgt na langdurige stilte dat dat eens nagegaan moet worden bij de ICT-directeur. Een paar vroegen aarzelend of mensen dan niet met papieren dossiers kunnen thuiswerken. Een diepe zucht onderdrukkend probeerde ik uit te leggen dat papieren thuiswerk neerkomt op pesten buiten het werk omdat je altijd wel iets vergeten bent. Bovendien is thuiswerk wegens coronagevaar alleen effectief als je wekenlang niet naar je werkplek gaat. Hoe je dat organiseert met papieren processen is me een raadsel.

En dan hadden we het nog niet over de grootste bezorgdheid: zullen mensen wel werken als ze thuis zijn? Al anderhalf decennium probeer ik uit te leggen dat je ook niet weet of mensen wel werken als ze op het hoofdkantoor achter hun computer zitten, en dat moderne bedrijven mensen aansturen op SMART gedefinieerde resultaten. Heel wat bedrijven, ook zeer gerenommeerde, werken anno 2020 nog altijd met functiebeschrijvingen die in het beste geval kunnen dienen bij het aanwervingsbeleid. Een hr-directeur wist zelfs niet dat SMART staat voor Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch en Tijdsgebonden, en dat het een model is om doelstellingen zo te formuleren dat de kans groter is dat er in werkelijkheid ook wat van terechtkomt.

Het is dan ook geen toeval dat de grootste preoccupatie niet het halen van de persoonlijke en collectieve resultaten is, maar het aantal gewerkte uren. Ook voor de overheid en de meeste vakbonden is werkuurberekening het alfa en het omega van personeelsbeleid. Bij de hele oefening die gewezen minister van Arbeid Kris Peeters opzette over duurzaam werken bleef alles draaien rond uren tellen.

Ook de organisaties waar mensen een dag per week mogen thuiswerken, maar dan wel tijdens de kantooruren en mits diepgaande rapportering over het geleverde werk, zijn radeloos over hoe ze hun werknemers wekenlang thuis kunnen laten werken omdat ook bij hen de prikklok belangrijker is dan de werkelijk geleverde arbeid.

Ik raad coronapaniekerige CEO’s aan geen geïmproviseerde thuiswerkorganisatie op te zetten. Het gevaar is dat de bedrijfsresultaten daar nog meer onder lijden dan onder een paar griep- of coronazieken. Een cultuurswitch van werkurenregistratie naar resultaatswerken en van papierwerk naar digitale processen mag geen haastwerk zijn. Als werknemers het gevoel krijgen dat de verandering alleen is opgezet ten voordele van het bedrijf, dreigt een totale mislukking. Toen ik indertijd tweette dat onze federale overheidsdienst geen productiviteitsverlies had bij zware sneeuwval en bij verkeersinfarcten, waren er ook managers die alleen om die reden thuiswerken wilden invoeren. Veel plezier hebben ze er niet aan gehad. Hun werknemers ook niet.

Naschrift

Deze tekst verscheen als column in De Tijd van 7 maart 2020.

Video  The Panic Is On

 

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

De zombie en de struisvogel

But there’s nothing you and I can do

You and I are only two

What’s right and wrong is hard to say

Forget about it for today

We’ll stick our heads into the sand

Just pretend that all is grand

Then hope that everything turns out OK

‘The Ostrich’, Steppenwolf, Steppenwolf, 1968

‘Het Belgische begrotingstekort voor 2020 is nog groter dan gedacht. De staat moet op een waakvlam worden gezet, zodat hij minder kan uitgeven. Zolang de regering in lopende zaken is, mag ze geen personeel aanwerven. Als ergens een probleem optreedt, moeten mensen van andere diensten worden overgeplaatst.’ Het briljante idee komt van Unizo-topman Danny Van Assche.

Is dat hoe Van Assche Unizo runt? ‘Ah, er gaat een boekhouder met pensioen, we vervangen hem door de starterscoach.’  Ik dacht het niet. Unizo zou snel stranden. Maar bij de overheid moet het blijkbaar kunnen. Als de mensen die op de federale overheidsdienst Volksgezondheid de coronacrisis beheersen wegvallen, moeten ze maar worden vervangen door veeartsen die slachthuizen controleren?

Natuurlijk weet Van Assche dat hij prietpraat verkoopt, als CEO én als staatsdragende figuur van een organisatie die in ontelbare raden van beheer van overheidsdiensten zit en dus enige notie hoort te hebben van hoe ze functioneren. Maar hij doet het toch omdat hij weet dat zijn leden dat graag horen.

Eind 2005 deed het VBO het hem voor. Toen kwam CEO Rudi Thomaes met het voorstel om de volgende vijf jaar 30.000 ambtenaren bij de federale administratie te laten afvloeien. Toen al stelde ik dat de discussie niet moet gaan over het aantal ambtenaren, maar over de rol die de administratie moet spelen – en welke niet – en over de diensten die ze moet bieden aan burgers en bedrijven. 15 jaar later heeft het VBO noch Unizo, maar ook geen enkele vakbond of politieke partij, een deugdelijk antwoord op die vragen gegeven. Het gevolg is ‘dat burgers voor hun belastingen te weinig terugkrijgen’, zoals Alexander De Croo, topman van een partij die al 21 jaar aan de macht is, deze week in het weekblad Knack liet optekenen.

Ondertussen is het aantal ambtenaren sterk gedaald, door kaasschaafbesparingen en grote inspanningen van overheidsmanagers. Maar het begrotingstekort is wel opgelopen tot 2,5 procent van het bruto binnenlands product, of 12,3 miljard euro. De redenering ‘minder ambtenaren = lagere staatsschuld’ is een van de vele waanideeën die ons land blijven teisteren en die telkens weer worden gedebiteerd door zombies, wier waanbeelden al ettelijke keren zijn gesneuveld maar toch blijven leven. Het beeld is niet van mij maar van professor  Marc De Vos, die in zijn boek ‘Beter is niet genoeg’, vanuit zijn nieuwe thuisland Australië, de collectieve onverantwoordelijkheid aanklaagt die de politieke stilstand in ons land veroorzaakt. Hij legt goed uit hoe het komt dat in ons land nagenoeg niets wordt beslist, en dat de weinige beslissingen die wel worden genomen er haast nooit komen op basis van evidentie maar op basis van zombie-inzichten. ‘De struisvogel steekt de kop in het zand en vergeet de wereld.’

Luckas Vander Taelen beschreef in De Tijd het kafkaëske overheidsverhaal van Schaarbeek-Vorming, een spoorterrein waarop het Brussels Gewest bij aankoop sporen wil aanleggen, terwijl ze er in opdracht van een andere overheidsinstantie werden weggehaald. ‘Over de partijgrenzen heen waren alle parlementsleden verbaasd over het absurde kluwen van overheidsinstellingen die elk vanuit een eigen logica lijken te werken, zonder enige sturing vanuit de politiek’, schreef Vander Taelen.

Schaarbeek-Vorming is België in het klein. Het is ook Vlaanderen, Brussel en Wallonië in het klein, moet ik er snel aan toevoegen voor iemand ‘confederalisme’ roept. Federaal en in de regio’s wordt op dezelfde manier (niet) aan beleid gedaan. Ons klimaat is kennelijk erg uitnodigend voor zombies en struisvogels.

Naschrift

Deze tekst verscheen als column in De Tijd van zaterdag 22 februari 2020.

Video The Ostrich

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Ontspoord

Yeah, the doctors don’t know, but New York was killing me

Bunch of doctors coming round, they don’t know

That New York is killing me

Yeah I need to go home.

New York Is Killing Me, Gil Scott-Heron, I’m New Here, 2010

In New York reden vier op de tien metrotreinen drie jaar geleden met grote vertraging. En nu mogen New Yorkers een en ander gewoon zijn, dat pikten ze niet langer van de Metropolitan Transportation Authority (MTA). De crisis verhitte de gemoederen zo erg dat gouverneur Andrew Cuomo zich genoodzaakt zag de noodtoestand uit te roepen en ‘het dossier naar zich toe te trekken’. Gevolg: de metro liep helemaal vast. Kinderen kwamen te laat op school, en hun ouders op het werk. Schouwburgen en filmzalen zagen de bezoekersaantallen drastisch dalen. Wachtend op de metro werd gefluisterd dat de leiding van Carnegie Hall de optredens een halfuur opschoof omdat het klachten regende over schuifelende voeten van laatkomers. 

Train daddy

Cuomo panikeerde. Hij kon de Brit Andy Byford, die tussen 2012 en 2017 de metro van Toronto uit het slop haalde, overhalen de MTA te komen leiden. Hij moest de gelauwerde treinmanager, wijs geworden na eerdere ervaringen met politici, wel verregaande autonomie geven. In no time zette Byford zijn Fast Forward-plan op papier en op de rails, en nauwelijks twee jaar later reed al 80 procent van de New Yorkse metro’s en bussen klokvast. De New Yorkers vereerden Byford met het epitheton ‘Train Daddy’.

Op 23 januari hoorden die dankbare gebruikers tot hun verbijstering dat hun Train Daddy zijn ontslag had ingediend. ‘Het begin van het jaar is een goed moment om te vertrekken’, liet de van Britishness overlopende Byford optekenen. Maar alle ingewijden wisten dat hij de constante clashes met de bemoeizuchtige, micromanagende Cuomo moe was. Dat Cuomo met lede ogen moest aanzien hoe Byfords populariteit in New York olympische dimensies aannam, hielp niet. Cuomo had er niet beter op gevonden dan het MTA een herstructurering op te leggen die Byfords bevoegdheden sterk reduceerde.

De aandachtige mediavolger zal enige gelijkenis tussen dit wrange verhaal en de VRT-saga niet zijn ontgaan. Een CEO die een onberispelijk parcours loopt, wordt door zijn bemoeizuchtige, micromanagende voorzitter Luc Van den Brande (CD&V) via zijn handpop/minister Benjamin Dalle aan de deur gezet.

Het is een wijdverbreid stramien: politici gaan verstrikt in de Bermudadriehoek van ego, ideologie en hoogmoed voorbij aan alle principes van goed bestuur, drukken hun eigengereide plannen door en bruuskeren daarbij goed management en richten overheidsdiensten ten gronde. Gelukkig kenden we ook ministers zoals Eric Van Rompuy (CD&V), Bert Anciaux (destijds Spirit) en Sven Gatz (Open VLD), om ons maar te beperken tot ex-VRT-ministers, die zich voorbeeldig aan de regels van public governance hielden.

Hoongebaren

Politieke inmenging in overheidsmanagement vertaalt zich niet altijd in een dispuut tussen politicus en topambtenaar. Soms wordt een topambtenaar, die objectief ondermaats presteert, tegen alle logica in, in het zadel gehouden. Dezelfde Luc Van den Brande behield, als voorzitter van Technopolis, ook na een vernietigend rapport het vertrouwen in CEO Erik Jacquemyn, die erin geslaagd was het voltallige personeel tegen hem in het harnas te jagen. Ultiem moest Jacquemyn toch vertrekken. Van den Brande mocht blijven.

Toen tijdens de vorige Vlaamse regering berichten over misstanden, groeiende wachtlijsten en falend management in het Agentschap Integratie en Inburgering (Agii) de media bereikten, wees Liesbeth Homans (N-VA) alle aantijgingen met hoongebaren af. Ze bleef pal achter algemeen directeur en partijgenote Leen Verraest staan en bewoog hemel en aarde om een audit bij de instelling te vermijden. Ze kon niet verhinderen dat het Rekenhof een eigen onderzoek opende, waaruit bleek dat het Agii de doelstellingen niet haalde, met geld strooide en een totaal gebrek aan rekruteringsbeleid en strategie vertoonde. Ultiem moest Verraest toch vertrekken. Homans werd parlementsvoorzitter.

Maar of nu goed presterende overheidsmanagers worden buitengezet of -gepest of slecht presterende topambtenaren mordicus worden gehandhaafd, er is één constante vaststelling: het volk wordt slecht bediend.

Naschrift

Deze tekst verscheen in De Tijd van 8 februari 2020.

Tien jaar geleden nam Gil Scott-Heron zijn laatste album, I’m New Here, op. Hij stierf in 2011. Het was een briljante comeback voor de man die zichzelf bluesologist noemde, gek was van bluesy jazz en, samen met de Last Poets, voorloper was van wat rap zou worden (de Lamarschool weliswaar, niet de stupide gangsta rap). Tien jaar later komt We’re New Again uit, een jazz-versie van het slotalbum. Jazzdrummer Makaya Craven zette passende jazzklanken onder Scott-Herons bariton met onder andere samples uit de platen met Jalal Nuriddin van de Last Poets waarmee hij de cirkle rondde.

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Heden geen beleid

A bar is just a church where they serve beer

Jim 3:16, Jim White Vs The Packway Handle Band,  Take It Like A Man, 2015

Hopelijk was u maandagavond niet getuige van de tenenkrullende discussie tussen Karel Van Eetvelt en Joël De Ceulaer in ‘De afspraak’. De CEO van Febelfin pleitte voor meer burgerparticipatie als oplossing voor de politieke impasse. Een driftig met zijn boek (nu verkrijgbaar) zwaaiend, betoogde De Ceulaer dat er niets moet veranderen aan ons parlementaire systeem, dat is gebaseerd op macht verkregen bij verkiezingen.

Als die twee, ver van camera’s en andere egoversterkende middelen, een paar uur zouden samenzitten, zouden ze zonder twijfel tot de conclusie komen dat ze veel ideeën gemeen hebben.

Van Eetvelt – ik ken hem een beetje maar zit niet in zijn beweging – is er net als De Ceulaer van overtuigd dat de uiteindelijke beslissing politiek moet worden genomen, maar stelt vast dat in ons land niet of slecht wordt beslist. Het onderzoeksbureau Kantar, waarvan deze week in het weekblad Knack een opzienbarend post-electoraal onderzoek verscheen, vraagt zich af ‘of het stemgedrag bij de jongste verkiezingen misschien niet zozeer met een afkeer van beleidsinhoud te maken heeft, maar vooral radicaal heeft willen zijn in zijn afkeer van de manier waarop door de machtspartijen aan politiek wordt gedaan’. Dat heeft niet alleen te maken met hoe politici elkaar afmaken – hopelijk hebt u gisterochtend de scheldpartij tussen Marc ‘het is allemaal de schuld van de socialisten’ Descheemaecker en Joris ‘u maakte er als vetbetaalde NMBS-manager een potje van’ Vandenbroucke over de wedde van overheids-CEO’s niet gehoord – maar vooral over hoe beslissingen in ons land (niet) tot stand komen, welke ook de regering is.

Tot in den treure moet de burger vaststellen dat in ons land over te veel belangrijke zaken – migratie, leefmilieu, klimaat, arbeidsmarkt, verkeer, pensioenen, gezondheidszorg, justitie, om er maar enkele te noemen – geen langetermijnvisie is. Er is geen visie op de overheidsdiensten. Dus is het ook niet duidelijk wat van overheids-CEO’s wordt verwacht en in welke omstandigheden ze moeten werken. Maar dan vertrekt een Luc Lallemand en krijg je weer die discussie over vergoedingen. Het zou me sterk verwonderen dat Lalleman – ik ken hem een beetje maar zit niet in zijn partij – vertrekt vanwege het loon. Het lijkt me eerder dat hij ‘het ondraaglijk lichte court-termisme in de Belgische politiek en de enge manoeuvreerruimte voor overheidsmanagers’ (Isabel Albers) beu is en  kiest voor een omgeving waar hij zich niet voor iedere habbekrats publiekelijk moet verantwoorden bij mediageile politici en waar hij geen tien jaar moet wachten op een bestuursovereenkomst.

In de noordelijke landen, de gidslanden voor de regering-Jambon, heerst een ander beleidsklimaat, zoals Guy Tegenbos terecht opmerkte in De Standaard. ‘De politiek wantrouwt de instellingen en de administraties niet, maar respecteert ze. Het zijn niet de gepolitiseerde kabinetten die het beleid voorbereiden, maar ambtenaren’. Ik heb het genoegen gehad nu en dan bij beleidsvoorbereiding in Nederland betrokken te zijn. Rond de tafel zie je inderdaad geen kabinetsleden, maar interne en externe experts en mensen die de maatregel uiteindelijk moeten uitvoeren. Die vind je nagenoeg nooit op de Interkabinettenwerkgroepen die in ons land het beleid uitstippelen. Daar zie je steeds dezelfde politieke creaturen opduiken die zich elke dag voordoen als experts over de meest diverse onderwerpen waar ze ooit een krantenartikel over lazen. Niet zelden komen maatregelen tot stand op basis van een discussie over een fait divers. Het is niet toevallig dat het broodjeaapverhaal dat asielzoekers een huis kunnen kopen met opgehoopt kindergeld bij herhaling ter sprake kwam aan de onderhandelingstafel bij de vorming van onze Vlaamse regering.

Dat soort cafégesprekken maakte ik niet mee bij onze Nederlandse vrienden. Voor de vergadering worden alle mogelijke data over het onderwerp bijeengebracht en wordt onderzocht hoe beleidsmaatregelen in andere landen functioneren. Op de vergadering wordt een zorgvuldig evidencebased advies aan de ministerraad geformuleerd, wat niet zozeer neerkomt op het aanduiden van wat moet gebeuren maar op het aangeven van wat niet werkt. De regering krijgt een overzicht van de mogelijke scenario’s, met telkens de voor- en nadelen. Het is erg ongebruikelijk dat een regering voor een totaal andere oplossing gaat. Waarvoor ze uiteindelijk kiest, is ideologisch afgewogen. Maar de kans dat maatregelen worden genomen zoals bij ons een mobiliteitsbudget, dat van geen kanten werkt, of een transmigrantenregelgeving, die dixit procureur Ine Van Wymersch onuitvoerbaar is, is bij onze noorderburen bijzonder klein.
Van de interkabinettenwerkgroepeningezetenen hoor je nooit een langetermijnvisie. Net zoals hun broodheren/dames zijn ze bezig met de volgende verkiezing en de verlenging van hun cabinetardbestaan. Beleidsmaatregelen, die wél tot de gewenste gevolgen leiden, maar waarvan de gevolgen niet binnen de regeertermijn zichtbaar worden – en dat is niet de uitzondering maar de regel – maken geen begin van kans. Toen ik een kabinetschef ooit voorspelde dat er niets zou komen van zijn micromanagementsoplossingetjes als er geen structurele veranderingen kwamen aan de manier waarop administraties werden aangestuurd, werd ik verrot gescholden. Achteraf zei een collega mij dat er nu wel zeker één structurele wijziging zou komen: we zouden niet meer uitgenodigd worden voor de volgende vergaderingen. Ik dacht dat hij een beetje te cynisch aan het worden was. Maar hij kreeg wel gelijk.

Naschrift

Deze tekst verscheen als column in De Tijd van 11 januari 2020.
Video Jim 3:16
Natuurlijk zoeken onze Nederlandse collega’s verder naar beter beleid. Volg de blog van Menno Spaan. Over uitvoerbaarheid: Simon Sibman.
Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen