Kleurendruk

God is busy! May I help you?

God is busy! May I help you?,‘We came to take your jobs away’, Kultur Shock, 2006

De jongste maanden overkwam het me niet meer – de dash, weet je wel, of beter het vervlieten ervan. Maar vooral in het eerste regeringsjaar is het wekelijks van dattum: een minister met opgetogen stem, een kabinetschef met sterretjes in de ogen of een kabinetsattaché met promotie in zicht die me mededeelt van een schitterend plan te zijn bevallen.

Uiterst zelden wordt gevraagd het kleinood aan het oordeel van mijn experts te onderwerpen, zo zeker is men van de genialiteit van het idee. Deze week leerde ik van Rik Torfs dat in de 148 jaar sinds de invoering ervan de onfeilbaarheid van de paus maar één keer is ingeroepen. Dit is wel anders op ministeriële kabinetten, waar ze zich meer verzekerd voelen van de correctheid van de ideologische dogma’s dan in het Vaticaan en waar het eigen gelijk pontificaler wordt uitgeschreeuwd dan een hedendaagse paus ooit zou durven.

Mochten onze experts echt worden bevraagd, dan zouden ze er in de meeste gevallen op wijzen dat het ideetje al vier keer is uitgeprobeerd en telkens een totale flop is gebleken. De reden: te vanzelfsprekend. Hun ervaring is dat logische oplossingen nagenoeg nooit werken, dat innovatie nooit de rechte weg tussen twee punten is maar een verrassende kronkelbaan.

Eén vraag werd de afgelopen 16 jaar nooit of te nimmer gesteld: zijn je mensen intens betrokken bij de federale overheidsdienst? Laat staan dat ooit zou zijn gepeild of mijn mensen wel bevlogen zijn.

James Baron, professor arbeidssociologie aan de Berkeleyuniversiteit, is ervan overtuigd dat dit soort vragen het best geschikt zijn om de kans op slagen te meten. Hij volgde acht jaar lang een paar honderd start-ups in Silicon Valley Hij was vooral geïnteresseerd in de oorspronkelijke organisatiemodelkeuzes, die hij blauwdrukken noemt. Hij ging na hoe en op basis waarvan mensen worden gerekruteerd, wat men (niet) deed om ze ook in dienst te houden en hoe men mensen (niet) aanstuurde om de bedrijfsdoelen te halen. Baron vond vijf soorten blauwdrukken.

Je zou denken dat ministeries bij het uitvoeren van de plannen van hun ministers vallen onder wat Baron de bureaucratische blauwdruk noemt. Maar bij nader inzien blijkt het de autocratische blauwdruk te zijn. Beide systemen huren mensen in voor hun skills en in beide systemen worden mensen top-down en zeer formeel aangestuurd. Het verschil zit in hoe werknemers worden aangetrokken. Bij de bureaucratische blauwdruk worden mensen aangetrokken met het vooruitzicht interessant werk te kunnen verrichten. Bij degenen die zweren bij de autocratische aanpak is dat simpelweg het loon. Baron beschrijft de cultuur treffend als ‘I pay. You work’.

Noch de bureaucratische noch de autocratische blauwdruk is succesvol. De meest succesvolle formule is die van de betrokkenheidsblauwdruk. Geen enkel bedrijf dat zich op die leest had geschoeid, ging overkop. Baron vond een grote schaduwzijde bij betrokkenheidsbedrijven. Na enkele jaren vlakt het succes af. De reden is groepsdenken waar stilaan stokkende geslotenheid insluipt, de schrik om de betrokkenheid te schaden door kritiek te geven. Onderliggend is het onvermogen om voldoende diversiteit (in persoonlijkheid, niet in skills) aan te trekken en te behouden.

Vanwege de vele regeltjes, de stringente diploma-eisen en de oneindige procedures, resultaat van het mechanisch denken over objectiviteit en neutraliteit, is diversiteitsrekrutering een bijna onbegonnen opdracht voor overheidsmanagers die de durf hebben een betrokkenheidscultuur te introduceren.

En natuurlijk staan kabinetschefs niet te springen voor mensen die in een onbedaarlijk lachen losbarsten als ze hen mededelen dat het de minister, in zijn oneindige wijsheid, behaagd heeft te beslissen dat…

Naschrift

Deze tekst verscheen als column in De Tijd van 2 juni 2018.

Video Kultur Shock https://www.youtube.com/watch?v=QDM1We21kwQ

Studie van James Baron : https://cmr.berkeley.edu/documents/sample_articles/2002_44_3_4776.pdf

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Eetlust

I don’t mean to brag
I don’t mean to boast
But we like hot butter
On your breakfast toast.
The Sugarhill Gang, Rappers Delight, Sugarhill Gang, 1980

Na dit weekend mogen onze eersteklassevoetballers op vakantie. Zo kalm als het wordt op de grasmat, zo hectisch wordt het in het clubmanagerkantoor. Er moeten spelers verkocht maar gekocht worden. De tijd dringt, de gegadigden zijn veelvoudig, het talent schaars.

“Met spijt in het hart zullen we moeten afscheid nemen van één van onze beste spelers”, zegt de ervaren manager die heimelijk hoopt op een overdreven transfersom. “Hij gaat een glorieuze toekomst tegemoet”, verkondigt hij alwetend, al is hij zich er perfect van bewust dat roemloos bankzitten statistisch gezien een vele keren grotere waarschijnlijkheid is.

Maar er moet vooral gekocht worden. De beep van de zoveelste aanbiedingsmail van een topmakelaar wordt even genegeerd, de onuitspreekbare namen van drie potentiële keepers gememoriseerd en de scoutingfiches nog eens doorgenomen.

De fiches van de potentiële aanwinsten bulken van voetbalslangtermen als wendbaarheid, snelheid, grinta, tweevoetigheid, kopsterkte en spelinzicht, waar de ExtraTime-vierschaar zo oeverloos maar heerlijk kan over dooremmeren.

Het zou me benieuwen mocht tussen alle excesssheets, die scouting officials meticuleus van cijfertjes tot ver achter de komma voorzien, ook een rigoreus antwoord schuilen op de vraag of de uitzonderlijk getalenteerde voetbalkunstenaar wel even goed kan excelleren in een andere team?

Daarom mag ik alle voetbalmanagers die ons land rijk is het boek “Chasing Stars, The Myth of Talent and the Portability of Performance” van Boris Groysberg aanbevelen. Groysberg zag dat bedrijven in een meedogenloze strijd verwikkeld zitten om de grootste talenten elders weg te plukken. Alleen dan kon de concurrentie verslagen worden. Het lijkt gezond verstand.

Groysberg wilde het toch eens onderzoeken. Hij bestudeerde meer dan duizend topanalisten bij de meest gerenommeerde investeringsbanken in Wall Street. Om zeker te zijn van zijn bevindingen interviewde hij er meer dan tweehonderd. Hij stelde vast dat topanalisten die van firma veranderen een onmiddellijke en blijvende prestatiedaling vertoonden. Hun vorige uitmuntendheid bleek veel meer dan van hun onmiskenbare talenten af te hangen van de bedrijfscultuur, bedrijfsnetwerken en collega’s. Sommige topanalisten behielden wel hun niveau. Nagenoeg steeds omdat samen met de ster ook een deel van het team was getransfereerd.

Groysberg bestudeerde ook investeringsbanken die niet op talentenjacht gingen maar kozen voor groei en ontwikkeling van eigen sterren. Het bleek pakken succesvoller.
Een gratis tip voor Mannaert, Louagie, Devroe en C°: in het laatste hoofdstuk van zijn boek legt Groysberg uit hoe je zijn bevindingen kunt toepassen op (American) football.

In het januarinummer van de Harvard Business Review bewijst diezelfde Goysberg dat cultuur niet alleen primordiaal is voor individuele prestaties maar ook voor de organisatieresultaten. Goede tot excellente resultaten komen er alleen wanneer bedrijfsstrategie en leiderschap perfect samengaan met de bedrijfscultuur. Goysberg definieert cultuurvormen die evolueren van orde, veiligheid, autoriteit en resultaatsgericht naar plezier, leren, hogere doelstelling en zorgzaamheid maar ziet vooral tussenvormen.

Het lijkt voor de hand te liggen dat verzekeringsmaatschappijen voor een cultuur zorgen die tussen orde en zorgzaamheid pendelt en voetbalclubs combinaties kiezen die tussen resultaatgericht en plezier liggen.

Het tekent Bart Verhaeghe en Vincent Mannaert (voorzitter en manager van Club Brugge) dat ze doorhadden dat het niet volstond een krachtige strategie uit te bouwen, maar dat er een gedragen, allesdoordringende, blijvende en impliciete cultuur nodig is bij alles en iedereen die tot de club behoort. Hier en daar wordt er besmuikt lacherig gedaan over “No sweat, no glory” maar het is een onverkorte meesterzet. Niet zozeer omdat de slogan goed klinkt en perfect gedijt in West-Vlaamse grond maar vooral omdat het de vlag is die een doorleefde bedrijfscultuur dekt waar gedurfd gekozen wordt voor een nog niet gelauwerde trainer, waar onvermoeibare teamspelers als Timmy Simons en Ruud Vormer totemspelers zijn en waar fors geïnvesteerd wordt in de community.

“Culture eats strategy for breakfast” is waarschijnlijk apocrief toegeschreven aan managementgoeroe Peter Drucker maar het snijdt onmiskenbaar hout.

One last thing: de “glory” in de blauwzwarte slogan is de schaakmatzet. Het alludeert op meer dan titels en bekers. Er is een hoger doel. John O’Brien, auteur van The Power of Purpose, zou wel eens gelijk kunnen hebben wanneer hij stelt: “Culture eats strategy for breakfast but culture gets its appetite from purpose.”

Naschrift

Deze tekst is (verkort) verschenen in De Tijd van 19 mei 2018.

Video Rappers Delight: https://tinyurl.com/y9t6lbf8

Rappers Delight is het hiphop-oernummer.

De teksten zijn hilarisch. Luister alleen al hoe ze “derriere” uitspreken:
https://genius.com/Sugarhill-gang-rappers-delight-lyrics

Harvard Business Review: https://www.spencerstuart.com/~/media/pdf%20files/research%20and%20insight%20pdfs/the-leaders-guide-to-corporate-culture.pdf

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Killer robots

Things are going great, and they’re only getting better
I’m doing all right, getting good grades
The future’s so bright, I gotta wear shades

Timbuk 3 – The Future’s So Bright, I Gotta Wear Shades, single, 1986

‘België en Vlaanderen moeten eindelijk eens een onafhankelijk instituut oprichten voor toekomstverkenning, zoals in Nederland en Frankrijk. En dus een waarnaar geluisterd moet worden en dat thema’s op de politieke agenda kan plaatsen.’ Dat stelden Derrick Gosselin en Bruno Tindemans, de auteurs van prachtboeken als ‘Toekomstmakers’ en ‘Thinking Futures’ deze week in De Tijd. Dat instituut zou de impact van de klimaatverandering, de migratiestromen, de vergrijzing, de energietransitie, de waterschaarste en het gebrek aan zeldzame grondstoffen bestuderen. Samen met Peter De Keyzer (eveneens in De Tijd) stellen ze vast: dit land heeft geen plan.

Impliciet is dat ook de stelling van een groep briljante mensen rond Luc Steels die deze week hun advies over de mogelijke impact van artificiële intelligentie (AI) aan de Koninklijke Vlaamse Academie van België voor Wetenschappen en Kunsten voorstelden. Het document overstijgt met gemak de gemakzuchtige thema’s ‘killer robots’ en ‘volledige werkloosheid’ die in onze media overheersen als ze over de vierde industriële revolutie berichten.

In ‘Life 3.0’ beschrijft de Zweeds-Amerikaanse professor Max Tegmark (MIT) hoe de media de open brief die 8.000 AI-kenners ondertekenden, interpreteerden. De titels spreken boekdelen: ‘Elon Musk en Stephen Hawking willen robotopstand voorkomen’, ‘Hal 9000’ en ‘Terminator’. Uiteraard zijn de AI-vorsers zich bewust van de gevaren die zich kunnen voordoen, maar ze zien ook de enorme mogelijkheden. ‘Het ligt voor het eerst binnen onze mogelijkheden een technologie te ontwikkelen die krachtig genoeg is om voorgoed een einde aan eeuwige plagen zoals armoede, ziekte en oorlog, of aan de mensheid zelf te maken. We zouden samenlevingen kunnen creëren die een ongekende voorspoed doormaken, maar ook een kafkaiaanse mondiale politiestaat.’

Tegmark wil met zijn Future For Life-instituut de ethische grondslag voor een goedaardige AI-ontwikkeling vastleggen. Dat moet nu gebeuren, want bij het intreden van singulariteit (het moment dat niet-menselijke intelligentie de menselijke overtreft) zal daar geen tijd meer voor zijn als gevolg van de wet van Moore. Die stelt dat het aantal transistors in een geïntegreerde schakeling door de technologische vooruitgang elke twee jaar verdubbelt. De rekenkracht die dan kan worden ontwikkeld laat niet-menselijke intelligentie in nanoseconden doen waar wij mensen nu een eeuw voor nodig hebben.

Nial Ferguson stelt in zijn ‘The 100-Year Life’ dat een Japans kind geboren in 2007 50 procent kans heeft te leven tot zijn 107de. En dat zelfs zonder superintelligentie, maar voortgaand op de trend waarbij de mensheid sedert 1840 statistisch haar levensverwachting ieder jaar met drie maanden ziet vooruitgaan en op de evoluties in de gezondheidszorg. Hij argumenteert dat we dringend moeten afstappen van onze huidige drietrapslevensopbouw met opleiding, werk en pensioen. Zouden de politici die nu al op een onwaarschijnlijk amateuristische wijze omgaan met het rapport van de pensioencommissie daar interesse voor hebben?

Zouden ze überhaupt rekening houden met de adviezen van een Instituut voor Toekomstverkenning. Zouden ze wel kunnen leven met een onafhankelijk instituut? Weinig waarschijnlijk als je ziet hoe zuur de verhoudingen zijn tussen regeringsleden en bestaande onafhankelijke overheidsinstituten en kenniscentra.

Je kunt je natuurlijk ook de vraag stellen of toekomstverkenning nog op het niveau van kleine natiestaten kan en moet worden georganiseerd. Gezien de voorsprong die de Verenigde Staten en Canada nu al op ons hebben inzake toekomstverkenning lijkt het voor de hand te liggen om een Europees Instituut voor Toekomstverkenning op te zetten.

China heeft al lang door hoe belangrijk toekomstscanning is en welke rol AI daarin zal spelen. Chinese studenten die tien jaar geleden afstudeerden bij Max Tegmark togen als vanzelfsprekend van Boston naar Silicon Valley. Nu gaan ze allemaal terug naar hun geboorteland.

Naschrift:

Video Timbuk 3 – The Future’s So Bright, I Gotta Wear Shades: https://www.youtube.com/watch?v=8qrriKcwvlY

Standpunt Derrick Gosselin en Bruno Tindemans: https://www.tijd.be/opinie/algemeen/maak-het-beleid-toekomstbestendig/10000863.html

Luc Steels & C° – Impact van artificiële intelligentie – Rapport aan de Koninklijke Vlaamse Academie van België voor Wetenschappen en Kunsten: http://www.kvab.be/nl/standpunten/artificiële-intelligentie

Peter De Keyzer – Dit land heeft geen plan https://www.tijd.be/opinie/column/dit-land-heeft-geen-plan/9997153.html

Mooi overzicht van de discussie over singulariteit: https://tinyurl.com/y8ott8s5

Twee jaar na de samenkomst in Puerto Rico vond een tweede A.I-topbijeenkomst plaats in Asilomar. Daar geraakte men het eens over 23 principes. https://tinyurl.com/y96klxte

 

Geplaatst in Geen categorie | 2 reacties

Marcel

Sei bemüht in dieser Zeit,
Seele, reichlich auszustreuen,
Soll die Ernte dich erfreuen
In der reichen Ewigkeit,
Wo, wer Gutes ausgesäet,
Fröhlich nach den Garben gehet
Johann Sebastian Bach – Sei Bemüht In Dieser Zeit (Barmherziges Herze Der Ewigen Liebe)

Op 17 juli 2017 viel een bijzonder mailbericht bij mij binnen. Niet zozeer omdat de afzender zich RNP0026737C70BF noemde, maar omdat het een handgeschreven brief bevatte van Marcel Storme, veertig jaar geleden mijn professor procesrecht. Hij vond mijn column Belziekske “voortreffelijk”.

Het kan verwonderen dat iemand die omschreven wordt als een Vlaamsvoelende Christendemocraat zich kon vinden in de aanklacht “dat niemand durfde te zeggen dat de opeenvolgende regionaliseringsgolven tot ingewikkelde en elkaar blokkerende overheidsstructuren hebben geleid, dat Vlaanderen zijn burgers even afstandelijk en bureaucratisch behandelt als het federale België dat doet, en dat zijn burgers opgezadeld zitten met een van de duurste bestuurssystemen in de wereld”.

Wie ooit les van hem kreeg zal er niet van opkijken. De professor had wel over meer dingen een verrassende opinie. In een van zijn colleges in het studentenjaar 1969-70 poneerde hij dat het rechtsbestel er niet in slaagde om de rechten van gewone mensen te garanderen. “Het is aan jullie om daar iets aan te doen”, zei hij. Twee jaar later was de Gentse Wetswinkel een feit en niet veel later hing boven de statige ingang van het justitiepaleis de slogan “Hier heerst klassenjustitie”. Het moet de waardige professor wel opgevallen zijn tijdens zijn dagelijkse tocht van de Coupure naar de Universiteitsstraat en hij heeft zonder twijfel goedkeurend gemonkeld.

Het was niet de eerste keer dat ik door hem geprezen werd. Dat deed hij iets meer dan veertig jaar geleden ook. Ik legde als laatste examen af bij hem. Er was dus nog tijd voor een kleine babbel. Hij feliciteerde me voor mijn inzet in de wetswinkel. “Rechtshulp is een mensenrecht”, zei hij gewichtig. “Daarom was ik zo ongelukkig met de beslissing van de Orde van Advocaten die alle leden van de Balie de medewerking met de Wetswinkel verbiedt”. Zijn onvrede was principieel maar ook ingegeven door de vrees dat “onrijpe” rechtenstudenten de “gewone mensen” die hen hun problemen voorlegden wel eens in nog grotere problemen konden brengen door onjuiste adviezen.

Ik kon hem geruststellen: iedere donderdagavond zaten de wetswinkeliers samen met “bevriende” advocaten om onze adviezen te bespreken. Hij keek even over zijn altijd laaghangende brillenglazen, “die langharige confraters die zoveel kritiek op ons hebben, zeker?” en schoot in een lach. “Humor is ook een mensenrecht”, schokschouderde hij. Marcel Storme had een magnifieke lach. En hij had altijd een citaat klaar. Toen was het “Criticism is not agreeable, but it is necessary”.

Het moet niet altijd Churchill zijn. In zijn briefje citeert hij Kapitein Haddock uit Kuifje om de huidige politieke wereld te schetsen (“bochi-boezoek”) en bovenaan op zijn briefpapier prijkt “Indignez-Vous” (Hessel) en “Wij moeten strijden tegen globalisering van de onverschilligheid” (Paus Franciscus s.J.).

Barmhartigheid moeiteloos met sociale verontwaardiging laten samengaan, het tekent de man ten voeten uit. Veel van mijn vrijzinnige vrienden verstaan mijn bewondering niet voor mensen zoals Marcel Storme, Johan Bonny of Mieke Van Hecke omdat er zovele zaken zijn, euthanasie en abortus om niet de minste te noemen, waar we helemaal anders over denken. Het is maar wat je echt belangrijk vindt: morele superioriteit of authenticiteit.

Afgelopen woensdag berichtte de krant dat Marcel Storme is overleden. Ik voelde me schuldig. Al maanden ligt hier een exemplaar van mijn recentste boek met een persoonlijke opdracht aan de man die trots was dat ik zijn oud-student was. Als ik nog eens langs de Coupure kwam zou ik het bij hem binnenschuiven. Keer op keer vergat ik het. En nu kan het niet meer.

Misschien doe ik het toch, met een opdracht voor zijn kleindochter Emma, die samen met haar “grootva” een aangrijpend interview gaf aan Tertio. “Wanneer mijn kleinkinderen examens hebben, bid ik voor de heilige Geest. Pinksteren is voor mij de belangrijkste zondag van het kerkelijke jaar; belangrijker dan Kerstmis en zelfs dan Pasen”, laat hij daar optekenen. Marcel Storme heeft Pinsteren niet gehaald. Emma zal dit jaar zonder de voorspraak van haar grootva door de examens moeten.

Naschrift

Deze tekst verscheen als column in De Tijd van 7 april 2018.

Video Sei Bemüht In Dieser Zeit https://www.youtube.com/watch?v=0n1yjJhJQt0

Het dubbelinterview Marcel Storme en zijn kleindochter Emma in Tertio: http://www.tertio.be/magazines/863/artikels/“we%20zien%20pieter%20ooit%20terug”

Mijn column Belziekske: https://www.tijd.be/opinie/column/Belziekske/9914272

Brief Marcel Storme

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Kringloopwinkel

Want uit het duister duikt hij op en wie het meemaakt schrikt zich rot

Hij doet het zacht en onverwacht hij doet het meestal wijl hij lacht

‘De onverbiddelijke zoener’, Lamp, Lazerus en Kris, 1971

Ooit liet de nieuwe voorzitter van een culturele vereniging me telefonisch weten dat er geen plaats meer voor mij was in de raad van beheer. Er moesten enkele structurele partners in de raad worden geschoven. Sponsors, dus. Ik was te verbouwereerd om de woorden ‘deugdelijk bestuur’ uit te speken. Maar daar was al de balsem op de wonde: ‘Voor mensen met een kritische geest zoals jij wordt een adviescommissie samengesteld.’ Lees: we zetten je bij het huisvuil, maar straks word je wel het meest gewilde artikel in de kringloopwinkel.

Dat moet de afgelopen weken ook het overheersende gevoel geweest zijn bij Jos Delbeke. Hij werd bij het huisvuil gezet in een carrousel die Europees Commissievoorzitter Jean-Claude Juncker opzette om zijn eigen kabinetschef in negen minuten tijd via de tussenstations ‘adjunct-secretaris- generaal’ en ‘ogenblikkelijk ontslag van de zittende secretaris-generaal’ naar de hoogste plaats in de Europese administratie te loodsen. Mocht Juncker voorzitter zijn van de UEFA, dan zou de Champions League niet via een vervelende groepsfase, achtste, vierde en halve finales naar de finale strompelen. Hem lukt het gewis in enkele minuten. Juncker kent de voetbalwetten: ultiem winnen de Duitsers.

De Commissie liet lijdzaam begaan. Juncker, zoals bekend een onverbiddelijke zoener, heeft het geflikt om zijn Commissie in slaap te kussen. De mediacommotie deed de leden verdwaasd uit hun winterslaap ontwaken. Snel prevelden ze dat alles volgens de regels is verlopen, zich niet bewust van het aanwassende bos middelvingers richting Europa dat ze veroorzaken.

Delbeke wordt adviseur buitendienst bij de interne denktank van de Commissie. Met een beminnelijkheid die weinigen gegeven is, noemt hij dat een interessante opdracht. Op zijn plaats komt de Italiaan Mauro Petriccione. Onze pers zag vooral dat er geen Belgen meer in het kransje Europese topambtenaren zitten. Maar de pijnlijkste vaststelling is uiteraard dat Europa het zich kan veroorloven een toponderhandelaar – ‘zonder hem was het Klimaatakkoord van Parijs er niet gekomen’, vertelde een insider me in tempore non suspecto – en wereldexpert in klimaatzaken aan de kant te zetten voor een novice.

Europa heeft miljoenen veil om kandidaat-lidstaten te overtuigen hun overheidsapparaat te professionaliseren en (top)promoties enkel te laten afhangen van verdienste en talent. Maar het verwijst een Delbeke, die zijn verkiezing tot Overheidsmanager van het Jaar 2015 natuurlijk te danken heeft aan zijn werk voor de klimaatdoelstellingen maar ook aan zijn voortreffelijk intern leiderschap, naar de kringloopwinkel.

Een interview met hem in het Vlaams Tijdschrift voor Overheidsmanagement van april 2017 toont het beeld van een briljante overheidsmanager.

Alleen, politici hebben maling aan dat soort managers. Als moet worden gekozen, zijn politieke kleur en onderdanigheid belangrijker. Ook onze regeringstop is volop bezig met het optuigen van een benoemingstrein voor topfuncties waarvoor geen neutrale selecties worden gehouden. In dit rare land zijn dat ook de best betaalde. Maar de regering geraakt er niet uit.

Het valt dus mee dat de helft van de voorzitters van de federale overheidsdiensten binnenkort verplicht met pensioen wordt gezet. Niet op 67 maar op 65, van consequentie kan je deze regering niet verdenken. Een langere te benoemen-lijst maakt het beslissen gemakkelijker.

Deze regering lijkt te vergeten dat je voorzitters van een federale overheidsdienst via een assessment moet aanstellen. Het is blijkbaar niet meer de bedoeling komaf te maken met politieke benoemingen en mensen aan het hoofd van de administraties te plaatsen die het naar verdienste en talent verdienen. Neutraliteit is alleen belangrijk als het ambtelijk hoofd getooid is met een hoofddoek en niet met een belangrijke titel.

De federale auditdienst en de integriteitscommissie kunnen zich nu al naar de Wetstraat 16 begeven om benoemingsfraude vast te stellen. Ze hoeven niet te wachten, zoals hun Vlaamse tegenvoeters, tot de feiten zijn vastgesteld. De federale regering heeft haar voornemen om massale benoemingsfraude te plegen al plechtig aangekondigd.

Naschrift

Deze tekst verscheen als column in De Tijd van 24 maart 2018

Video De onverbiddelijke zoener: https://tinyurl.com/y8d65w6h

Het interview met Jos Delbeke in het Vlaams Tijdschrift voor Overheidsmanagement vind je hier: http://www.vtom.be/pdf_file/dieKeure_minisquare_PDF_bestanden/VTOM_2017_4-B.pdf.

Geplaatst in Geen categorie | 2 reacties

Vakministerschap

Mm, mm-mm, mm-mm-mm, mm, mm-mm
(I can’t believe what you say, because I see what you do!)
Uh, uh-uh, uh-uh-uh, uh, uh-uh
(I can’t believe what you say, because I see what you do!)

I Can’t Believe What You Say, Ike & Tina Turner, Single, 1964

 

Op deze pagina’s probeert Kaaiman er ons al jaren van te overtuigen dat begrotingen in wezen literaire oefeningen zijn in onrealistische wensdromen, en dat de werkelijke financiële toestand van een land zich pas in zijn triestige realiteit laat lezen na afloop van het begrotingsjaar in wat niet voor niets onheilspellend Rekeningen wordt genoemd. Als het weer eens tijd is voor een begrotingsopmaak staan journalisten dagen en nachten te ijsberen voor de ambtswoning van de premier en worden we vergast op avondlange en paginabrede analyses maar enige informatie over de Rekeningen moet je zoeken in de benepen ruimtes tussen de overlijdensberichten.

Tot mijn niet-geringe verbazing gaven studenten bestuurskunde, aan wie ik deze week een gastcollege mocht geven, meer blijk van een no-nonsensekijk op dit soort zaken dan menige Wetstraatwatcher. ‘We zijn niet geïnteresseerd in welke minister het begrotingsduel heeft gewonnen’, zei een studente me. ‘We willen weten of we goed worden bestuurd.’

Zoals steeds bij dat soort ontmoetingen trof de maturiteit van die jonge mensen me midscheeps. Als studenten bestuurskunde in hun derde jaar al doorhebben dat de beleidsbrieven van vakministers even weinig waarde hebben als begrotingsopmaken, maar dat de kwantiteit en de kwaliteit van het reële beleid slechts kunnen worden gemeten na de regeerperiode, hoeven we ons geen zorgen te maken over de kwaliteit van de overheidsmanagers van de toekomst.

Als je in het beleid van een vakminister – van welke partij dan ook – terugpeddelt, zie je telkens dezelfde bronnen van beleid terugkeren. Het zal niemand verwonderen dat je punten van het partijprogramma terugvindt. Maar opvallend is hoe mager ze uitvallen. Nogal wat cabinetards, zelfs zij die zijn overgekomen uit de partijstudiedienst, blijken hun partijbijbels amper te kennen. Ik deed ooit eens een kabinetschef zijn eigen partijprogramma cadeau, nadat hij me een ontwerpbeleidsnota had gestuurd waarin wetgevend werk werd aangekondigd dat dwars stond op wat de partij tijdens de verkiezingen had beloofd.

Blijkbaar had zijn partijvoorzitter, waarmee hij iedere donderdag met zijn minister samenzit om de ministerraad voor te bereiden, het ook niet had opgemerkt. Wat enigszins normaal is aangezien het op die vergaderingen vooral gaat over hoe men kan dwarsliggen over de B-punten van de andere regeringspartijen en over welke beslissingen men zegebulletins kan uitzenden.

Zelfde verhaal over het regeerakkoord. Je verwacht punten ervan in de beleidspraktijk van een vakminister, maar ook daar maken ze er niet de hoofdmoot van uit. Je moet met een vergrootglas zoeken naar realisaties van voorgenomen beleidspunten die tijdens de regeringsonderhandelingen belangrijk waren voor de andere regeringspartijen. Ze werden graag vergeten. Pas als er grote druk komt of als met een boycot van de eigen beleidspunten wordt gedreigd, worden ze aangepakt, zij het met forse tegenzin en meestal onder leiding van een junior kabinetslid. De stokpaardjes die de minister al bereed toen hij nog een backbencher was daarentegen, vind je ongeacht hun graad van urgentie of belangrijkheid zonder fout terug in de beleidsrealisaties.

Elke vakminister is verwonderd over de hoeveelheid Europees beleid dat moet worden uitgevoerd. Hij wordt er daarbij pijnlijk aan herinnerd hoe beperkt de actieruimte voor een minister van een natiestaat is geworden na decennia Europese integratie. Engelse vakministers zullen daar nu misschien al anders over denken en stiekem hunkeren naar zoveel rustige vastheid.

Het gros van het beleidswerk van een vakminister bestaat uit het tackelen van de waan van de dag. Onmiddellijk moet worden gereageerd op aantijgingen. Onmiddellijk moet een oplossing worden voorgesteld voor het minste probleem. Onmiddellijk moet gereageerd worden op aantijgingen. Onmiddellijk moet een oplossing voorgesteld worden voor het minste probleem dat door de media wordt aangekaart. Menig ambtenaar hoopt vurig op vakministers die hierop reageren met “Et alors. Er zijn belangrijkere dingen dan dit” want ze weten dit soort mediastormpjes de voorbode zijn van haast- en vliegwerk die culmineren in bedenkelijke wetgeving, waarvan de Raad van State moet vaststellen, zoals ook deze week weer, dat “men kennelijk een regeling heeft aangenomen goed wetende dat de tekst nog niet helemaal gereed is. Deze werkwijze brengt de rechtszekerheid in het gedrang.”

Naschrift

Deze tekst verscheen als column in De Tijd van 10 maart 2018
De video van I Can’t Believe What You Say: https://www.youtube.com/watch?v=UHGkCJUDZpQ
De Raad van State en onvoldragen wetgeving: http://www.standaard.be/cnt/dmf20180307_03396942

Op de vrijdagse ministerraad komen er A-punten en B-punten. B-punten zijn items waarover in de interkabinettenwerkgroepen (IKW’s) en in het kernkabinet (premier en vicepremiers) geen overeenstemming werd gevonden.

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Hippopotomonstrosesquippedaliofobie

I can’t read shit anymore
I just sit back and ignore
Cause I just can’t get it right, can’t get it right
I can’t read shit I can’t read shit
Tin Machine, I Can’t Read, Tin Machine 1, 1989

Bij de FOD Mobiliteit worden scenario’s ontwikkeld die een einde kunnen maken aan het al jaren aanslepend probleem van de geluidsoverlast rond Zaventem. In één van die scenario’s is er sprake van vluchten boven Brussel. Het werd onmiddellijk een nieuwsitems, niet omwille van de (on)gegrondheid van de bevindingen maar omdat het scenario impliceerde dat er ook over het Koninklijk Domein zou worden gevlogen.

“Er bestaat inderdaad een tekst die in die richting gaat, maar wij zijn geen vragende partij. We wachten op meer uitleg van de administratie over dit initiatief, maar we houden geen rekening met de tekst”, liet François Bellot, de bevoegde minister, weten. (Bruzz, 15/2).

Misschien had Bellot een plotse opwelling van Hippopotomonstrosesquippedaliofobie, angst voor lange woorden, een verplicht onderdeel van administratieve teksten. Maar het is waarschijnlijker dat de ministeriële leesblindheid ingegeven is door de schrik voor de reactie van Brusselse MR-burgemeesters die zeker in een verkiezingsjaar eerder zullen kiezen voor kniezende kiespijn dan voor vliegtuigen boven hun gemeente.

Je kunt je afvragen of het wel koosjer is dat een minister een scenario niet wil lezen omdat hij liever het partijbelang dan het algemene belang wil dienen maar laat ons wel wezen: het komt hem en niet de administratie toe om over de zaak te beslissen. En hij mag ook beslissen hoe hij tot zijn beslissing komt. Als dat met miskenning van zijn administratie gebeurt, is dat niet slim. Maar het mag.

De immer beminnelijke Bellot liet niet bij die ene opmerking. Hij vond het nodig om onkarakteristiek hard uit te halen naar zijn administratie, die “zegt dat het onvoldoende middelen krijgt om zijn taken uit te voeren. Maar ondertussen heeft het wel de tijd om zich te buigen over dossiers waarover we zijn inbreng niet hebben gevraagd.” (De Morgen, 16/2).

Blijkbaar vindt Bellot, en met hem zonder twijfel een pak andere (ex-)regeringsleden dat administraties alleen studies moeten uitvoeren die hun minister tot welwillend geknor bewegen. Vermoedelijk denkt ook een groot deel van onze bevolking dat. De baas mag toch bepalen wat de ondergeschikten horen te doen? Uit gesprekken met collega’s uit de privésector blijkt dat ook de meesten onder hen zo’n gang van zaken normaal vinden.

Geen wonder dat ze pijnlijk uitschuiven bij een overstap naar de overheid. Onder meer omdat ze het direct verknoeien bij een nieuwe minister van een andere kleur die tot zijn ontzetting moet vaststellen dat de administratie de vorige vier jaar studies maakten die meer op partijprogramma’s lijken dan op doorwrochte analyses van alle mogelijke oplossingen.

Nooit vergeet ik het gezicht van Vincent van Quickenborne, die me, net na zijn eedaflegging als minister van pensioenen ontbood om mee te delen welke studies hij van ons verwachtte, waarna ik zei dat we dat niet zouden doen. “Waarom?”, zei hij verbouwereerd. “Omdat we die al hebben”, was het antwoord dat hem nog meer verbaasde. “Hebben jullie die gemaakt onder Michel Daerden?”

Natuurlijk hadden we dat gedaan. En sommigen daarvan heeft Daerden nooit gelezen, wat weinigen onder u zal verwonderen. Maar ook zijn medewerkers vonden het niet de moeite om ze open te slaan. De inhoud beviel hen niet. Maar we werden tenminste niet beschimpt omdat we de scenario’s hadden uitgewerkt.

Administraties behoren tot de uitvoerende macht maar dat houdt niet in dat ze enkel beleidsvoorbereiding mogen produceren die hun minister hen oplegt. Administraties moeten neutraal zijn. Neutraliteit begint en eindigt niet met de hoofddoek maar houdt ook in dat alle mogelijke scenario’s moeten uitgevlooid worden. Administraties zijn uitvoerende macht voor de wetgever en het algemeen belang, niet voor hun toevallige voogdijminister.

Het venijn van de uitval van Bellot zit hem in de verwijzing naar de middelen van zijn administratie. Tien jaar geleden zegde een collega me bij zijn oppensioenstelling: “De meeste ministers durven ons niet verbieden om sommige studies te maken. Maar er is een vernuftiger manier om ervoor te zorgen dat we dat niet doen: onze middelen zo fel beperken dat we alleen de opdrachten die we van het kabinet krijgen kunnen uitvoeren. De besparingen die er de volgende jaren zitten aan te komen, voorspellen niets goeds.”

Ik deed het af als complotdenken van een oude man. Nu denk ik er genuanceerder over. Ben ik wijzer of word ik gewoon oud?

Naschrift

De tekst verscheen als column in De Tijd van 24 februari onder de titel langewoordenfobie.

Video van Tin Machine’s I Can’t Read, Tin Machine https://www.youtube.com/watch?v=O-EcEH31Y2o

https://www.bruzz.be/mobiliteit/luchtvaart-wil-over-koninklijk-paleis-kunnen-vliegen-2018-02-15

 

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen