De drugsoorlog

tosh

Legalize it
Don’t criticize it
Legalize it, yeah, yeah
That’s the best thing you can do

Legalize It, Peter Tosh, Legalize It, 1976

“In Chimay ontmantelde de federale politie een laboratorium voor de aanmaak van XTC-pillen. Het grootste dat ooit in Europa werd ontdekt”. De trots spat van het blad. Maar als je met onze drugsbestrijders spreekt, hoor je vooral neerslachtigheid. Vlooi het bericht verder uit en dan snap je het wel. “Waarschijnlijk heeft het lab maanden, zelfs jaren gefunctioneerd zonder dat een haan ernaar kraaide”. En “Ook in hartje Vilvoorde ontmantelden de speurders een xtc-lab”. Vechten tegen de bierkaai kan etymologische correct zijn, “vechten tegen de drugsmaffia” is heden ten dage accurater.

Al jaren verliezen we de oorlog tegen de plantaardige drugs. Als alle vliegtuigen die de wereld rijk is zouden ingezet worden om drugsplantages op te sporen, dan nog kan men niet winnen van de drugskartels die landbouwkundig wendbaarder zijn dan alle Chiquita’s en Monsanto’s ter wereld. En als je op fluistertoon vraagt aan onze anti-drugsmensen in Antwerpen en Zaventem hoeveel van de aangevoerde drugs onderschept worden, is het aarzelend antwoord: misschien 1%?

Dit probleem heeft Nieuw-Zeeland niet. De meeropbrengst van drugstrafiek naar een eilandje van amper 4 miljoen inwoners, diep in de Stille Zuidzee, is te beperkt. Ook drugskartels moeten mee met hun tijd en rekenen in ebitda.

Maar straks heeft Nieuw-Zeeland ook geen problemen meer met synthetische drugs. Nochtans was het een nationale ramp. Men kan het niet leuk vinden maar drugs zijn een sociale nood. Als men niet aan plantaardige drugs kan komen, maakt men gewoon meer XTC. In geen enkel land, met uitzondering van de Verenigde Staten en Ukraine(?), worden jaarlijks zoveel synthetische drugslabo’s als in Nieuw-Zeeland ontdekt. En een pak van die labo’s kon niet eens gesloten worden omdat er een nog niet verboden synthetische drug gemaakt werd. Pas in 2008 werd een wet gestemd die verkoop en gebruik van benzylpiperazine regelde. Ondertussen had een derde van de jeugd het al geprobeerd. En, bericht The Economist, onmiddellijk schakelden de drugsfabrikanten over op cannabinoïden, die nog een pak meer schade toebrengen dan gewone hasj, waarvan nu medisch is vastgesteld dat het eigenlijk een harddrug is.

In juli nam het Nieuw-Zeelandse parlement een nieuwe wet aan. Niet om cannabinoïden te verbieden. Vanaf nu kunnen drugsdesigners een officiële goedkeuring voor hun producten aanvragen. En bij goedkeuring kan je, als volwassene, bij vergunde winkels terecht voor je synthetisch gerief. Als gebruiker weet je niet of de daar gekochte stuff je wel de gewenste high geeft want dat wordt niet door de overheidslabo’s onderzocht. Die zoeken alleen naar mogelijke toxiciteit. Drugsdesigners doen geen onwettige investeringen meer, want minder zeker van winst, en doeken hun onwettige labo’s op. Straks kan Nieuw-Zeeland zijn drugssquad drastisch reduceren, zal de ziekenzorg er minder uitgeven aan drugsaccidenten en wordt er eindelijk belasting betaald op de miljoenenhandel.

Het zal allemaal wel moreel steken bij de welkdenkende mensen, die Belgen zijn, maar Nieuw-Zeelanders vinden efficiëntie belangrijker dan niet te winnen oorlogen.

Deze mening verscheen eerst in De Standaard Avond op vrijdag 23 augustus 2013.
Zie ook The Economist van 10 augustus 2013 “A new prescription”: http://tinyurl.com/kzpzsrx

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Het venijn van het onderbewustzijn

syl
Why my dreams never came true
Is it because I’m black?
Something is holding me back
Is it because I’m black?

Is It Because I’m Black?, Syl Johnson, Single, 1968

Exact 40 jaar later nam Syleena een even pakkende versie van haar vaders meesterwerk op.

Is It Because I’m Black?, Syleena Johnson, Chapter 4 – Labor Pains, 2008

Geen enkele onder-de-achttienjarige durft zich dezer dagen nog naar het centrum van de stad begeven. Overal worden ze er geconfronteerd met de triomfalistische slogan “Terug Naar School!”. Dat gevoel van onmetelijke rust in de oase van nooit eindigende vakantie wordt direct met diabolisch genoegen de grond in geboord. Ik kan het weten. Je kan het je natuurlijk moeilijk voorstellen maar ook ik heb de eerste jaren van mijn leven als kind doorgebracht. Dat ijselijke “Terug Naar School!” is zonder twijfel door een briljante marketeer bedacht, maar ik vermoedde achter die reusachtige affiches obsceen grimlachende leerkrachten die niet meer konden wachten om ons urenlang in amechtige banken te prangen teneinde ons op een totaal oninteressante manier dingen bij te brengen die niets met de essentie van het leven te maken hadden, zoals de Rolling Stones om maar iets te zeggen.

Maar nu weet ik dat ook de leraars met zweet in de handen die eerste schooldag voor zich zien opdoemen. Ze weten dat geen enkele leerling hen nog serieus neemt. Het zijn immers allemaal racisten. We hebben het van geen vreemden. Een Gentse doctorandus kon nog net voor hij aan de publicatiedruk en de academische concurrentieoorlog ten onder ging, een proefschrift afscheiden waarin hij zonder veel poespas de schuld van het mislukken van allochtonen aan het discriminatoire gedrag van leerkrachten toeschrijft. Ja, er schortte ook iets aan de cultuur van allochtonen die sneller aan het werk willen maar dat lag dan weer aan de racistische aanwerfpolitiek van werkgevers die toch geen interesse hebben in hun diploma’s.

Al in de late jaren zestig laaide diezelfde discussie huizenhoog op in de Verenigde Staten. Men was er heftig van overtuigd dat nadat de hatelijk schoolsegregatie was afgeschaft, ook niet-blanke kinderen alle kansen zouden hebben. Maar algauw bleek dat kinderen, die toen nog zwart waren en niet Afro-Amerikaans, het veel slechter deden op school en later geen job vonden. Ook toen wees onderzoek discriminatie door blanke leraars en jobrecruters als oorzaak aan. Het woord “racisme” was niet van de lucht. Maar toen men die zogezegde racisten diepgaand ondervroeg vond men vooral grote tegenstanders van racisme. Velen hadden meegestapt in de Mars op Washington en vonden de “I have a dream”-speech het mooiste wat ze in het leven hadden meegemaakt. Aan de Harvard-universiteit ging men aan het testen en daaruit bleek dat alle blanken, los van hun rationele mening, een automatische voorkeur hebben voor een lichte huidskleur en dat dit onbewust doorsijpelt in hun gedrag. En even onbewust discrimineren we tussen man en vrouw, hetero en homo, oud en jong en dik en dun.
Racisme is niet relatief maar de idee dat we zo’n enorm rationele wezens zijn is dat zonder twijfel wel.

Wil je je onbewuste voorkeuren kennen? Surf naar https://implicit.harvard.edu/implicit/belgium/

Malcolm Gladwell beschrijft in Blink, The Power Of Thinking Without Thinking (slecht vertaald als Intuïtie)hoe snel en subjectief we wel oordelen.

Deze mening verscheen het eerst in De Standaard Avond van donderdag 22 augustus 2013.
De schitterende titel is bedacht door Bart T’Jampens, die instaat voor de opiniepagina’s van De Standaard.

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Jackie Brown

Stone Coyotes

We keep tryin’ to carry on
But the sky is crying’, the thrill is gone
The bluebirds don’t sing here anymore

The Bluebirds Don’t Sing Here Anymore, The Stone Coyotes, I Couldn’t Find You, 2011

“In mijn poep”. Herinner je het nog? Van de TV bedoel ik, natuurlijk. In De Gloria? Man en vrouw worden door een presentatrice van een blits quizje gevraagd waar ze laatst seks hebben gehad. Als beiden hetzelfde antwoord geven, lonkt een weekendje Parijs als beloning. De vrouw kijkt met van gêne overlopende ogen naar haar man. “Dat zeg ik niet”, stelt ze. “Maar ik heb het ook gezegd”, overtuigt de man haar, die “de keukentafel” had geantwoord.

Dan komt het. “In mijn poep”. Die blik van de man is onbeschrijflijk, hij weet “oh my god, dit gaat ons achtervolgen”.

De in the butt-scène vind je in één van de zes thrillers die veelschrijver Elmore Leonard, gisteren gestorven , tussen 1985 en 1990 publiceerde. De makers van In De Gloria waren misschien wat minder vernieuwend dan we dachten maar ze hadden wel goede smaak: Leonard schreef veel maar altijd briljant.

Laat ik me vertellen, ik las geen van zijn cowboyromans. Maar nooit sloeg ik één van zijn thrillers over. Nou ja, thrillers. Zijn het wel thrillers? Ja, in de zin dat je geen idee hebt, zelfs niet tot enkele pagina’s voor het einde, hoe de plot zich zal ontpoppen.

Maar niemand schreef zoals Leonard. Leonard schreef geen thrillers, maar Leonardekens. Hij verzon een honderdtal personages en die stonden al na drie dialogen levensecht voor je. Tarantino moest voor één keer niet diep in zijn creativiteit duiken om de filmversie van Rum Punch vorm te geven. Pam Grier had de vormen al en Leonard had Jackie Brown ook literair al full body gegeven.

Heel zelden beschrijft hij zijn personages. Meestal laat hij hen zichzelf tot leven praten. Soms zijn ze wel eens lieflijk en soms zijn ze wel eens hatelijk maar nooit blijken ze goed of slecht te zijn. En steevast weten ze niet wat ze in de volgende scene gaan doen. Gaan ze kiezen voor geld of voor vriendschap? Zal ze nog een laatste keer vrijen, niet omdat ze morgen weggaat maar omdat ze weet dat de ander morgen neergeknald wordt?

Stiekem hoop ik dat Leonard zelf niet wilde weten wat zijn personages zouden uitspoken omdat hij niet wilde ingrijpen in het leven van de mensen waarop hij zo leesbaar verslingerd was geraakt.

Die gloeiende liefde voor zijn romanbewoners had hij gemeen met Thomas Pynchon, ook een aficionado van dialogen en ook niet vies van kontenhumor. Wat is het verschil tussen de maffia en eating pussy, vraagt iemand in Vineland. Er is geen verschil, is het antwoord. “One slip of the tongue and you’re in big shit”.

Leonard is dood en kan dus de Nobelprijs niet meer krijgen. De Zweedse Academie zou het hem ook nooit gegund hebben. Te populair. Daarom kregen ook Salman Rushdie en Arthur Miller, eeuwig favorieten, de prijs ook nooit. Dat ze de volgende nu al voor de zogezegd serieuzere Pynchon reserveren. Hij komt toch nooit buiten en zal zich dus na een schalks gebaar richting hemel met duivels plezier in Stockholm laten vervangen door Jackie Brown.

Deze mening verscheen het eerst in De Standaard Avond van woensdag 21 augustus 2013.

In “Be Cool (1999)” gebruikt Leonard songs van The Stone Coyotes. Bij de eerste druk zat een cd met lezingen van Leonard en songs van The Stone Coyotes.

Mijn dank aan Bart T’Jampens, meningredacteur DS Avond, die de fouten uit mijn In De Gloria-verhaal haalde en er een paar puntgave zinnen instopte.

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Vogels


What a field day for the heat
A thousant people in the street
Singing songs and carrying signs
Mostly saying, hooray for our side

For What It’s Worth, Buffalo Springfield, Single, 1966

Perfect veertig jaar geleden had ik hem hetzelfde horen zeggen en hetzelfde zien doen. Toen droeg hij nog een driedelig pak en de gebruikelijke blauw-met-witte das die er, oxford geknoopt, als zijn tweede adamsappel uitzag. Die outfit had nu plaats gemaakt voor een beige zomerbroek en een electrisch blauwe polo. “Onze jeugd verschrompelt zijn hersenen met drugs”, donderde hij in zijn dragende doktersstijl, in de ene hand een maltwhisky on veel ice en in de andere een gigantische sigaar, die zonder twijfel op lieflijke Cubaanse dijen was gedraaid. Net zoals veertig jaar geleden zag dokter E. de ironie van zijn uitspraak niet in. E. was anders wel veranderd. In 1973 zou hij nooit in de buurt van een Cubaanse sigaar zijn opgemerkt. Laat staan op een symposium over de filosofie van o.a. Gandhi en Mandela. Toen ik hem de eerste keer zag, op een informatieavond met de titel “de waarheid over de apartheid”, was hij verrukt over hoe Pinochet Chili terug bij de beschaafde landen had ondergebracht.

Minuten later zou hij, toen een schuchter meisje met vlechten, waarvan niemand verwachtte dat ze later nieuwsanker zou worden, hem vroeg of de jeugd geen wissel op de toekomst was, de 40 jaar later herhaalde drugszin uitspreken, toen nog zwaaiend met een glas Zuidafrikaanse wijn en ordinaire cigarillo. Voordien had E., medesticher van Protea, ons met lichtbeelden de politiek van Zuid-Afrika “met door eigen ogen gedragen objectiviteit” uitgelegd. Al na tien minuten kregen we te horen dat de slachting van Sharpeville de enige mogelijkheid was om de Communistische Vijand te verslaan. Rondom mij zag ik tientallen jonge mensen ernstig instemmend knikken.

Een paar jaar later hoorde ik een Franse intellectueel die, samen met Jean-Paul Sartre, Liberation had opgericht met grote overtuiging betogen dat de genocide van Pol Pot lasterlijke Amerikaanse propgaganda was. Het heeft tot 1985 geduurd vooraleer Liberation zich excuseerde voor het eerst goedpraten en later verzwijgen van de afslachting van een kwart van het Cambodjaanse volk. Ik zag graag die Franse intellectueel gekonfronteerd met Bun Roeurngs, nu 75 jaar, die ons, na een rondleiding in het door haar grootvader, 92 jaar geleden in Batambang gebouwd Ancient House, toefluisterde dat ze de enige is van haar familie, allen intellectuelen, die de Khmer Rouge hadden overleefd. Haar ouders, haar vier kinderen en haar man stierven omdat er voor hen geen plaats was in Democratisch Kampuchea.

De zo gekoesterde ideologie, godsdienst/atheisme en andere zekerheden hebben de ganse geschiedenis door al miljoenen mensen de dood, de armoede en de wanhoop ingejaagd en steeds staan er overtuigden klaar om het immorele en het inhumane goed te praten. Het gemak waarmee het koelbloedig vermoorden van mensen als collateral damage wordt afgedaan, is niet voor iedereen stuitend. Steeds weer knikken medestanders erstig goedkeurend mee. En steeds zijn de anderen verkeerd en denken zij juist. Ze zijn de vele Dokter E’s die hun eigen verslaving niet zien. Eén dogmakader als het enige venster om de wereld te zien, het is zoals de Romeinen die ingewanden van vogels bestudeerden om de toekomst te voorspellen. Maar toen vielen er alleen maar doden onder de vogels.

Deze tekst verscheen als opinie in De Tijd van 10 augustus 2013.

ancient
Bun Roeurngs

boom
Killings Fields.

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

De maakbare m/v

I'm a boy
One girl was called Jean Marie
Another little girl was called Felicity
Another little girl was Sally Joy
The other was me, and I’m a boy

My name is Bill and I’m a headcase
They practice
making up on my face
Yeah, I feel lucky if I get trousers to wear
Spend ages taking hairpins from my hair

I’m a boy, I’m a boy
But my ma won’t admit it
I’m a boy, I’m a boy
But if I say I am I get it

Put your frock on Jean Marie
Plait your hair Felicity
Paint your nails, little Sally Joy
Put this wig on, little boy

I wanna play cricket on the green
Ride my bike across the stream
Cut myself and see my blood
I wanna come home all covered in mud

I’m a boy, I’m a boy
But my ma won’t admit it
I’m a boy, I’m a boy, I’m a boy
I’m a boy, I’m a boy, I’m a boy, I’m a boy
I’m a boy, I’m a boy, I’m a boy

I’m A Boy, The Who, Single, 1966

“Duitsland erkent naast m/v, derde, onbestemde geslacht”. Naast alle miserie in de wereld, lijkt het een niemendalletje uit een in komkommers grossierende augustuskrant. Toch gaan achter deze titel schrijnende verhalen schuil. Ieder jaar worden in België een tiental kinderen geboren met een onduidelijk geslacht. In de meeste gevallen worden het meisjes, omdat dit medisch eenvoudiger is. Nog steeds wordt er gedacht dat , als je maar snel genoeg operatief ingrijpt, de opvoeding ervoor zal zorgen dat het kind zich meisje voelt.

Tussen 1960 en 1990 speelden zich hierover in alle geledingen van de maatschappij heftige ideologische discussies af. Het was de tijd waarin progressieven, mensen zoals ik dus, dachten dat de mens volledig maakbaar was. Wie dacht dat er toch al veel vastlag bij de geboorte werd bijgezet in het rijtje conservatieven, of zelfs fascisten.

De theorie leidde tot menselijke rampen. John werd in 1966 als een gezond jongetje geboren maar hij verloor zijn penis onder het mes van een flaterende chirurg. De ontstelde ouders werden snel gerustgesteld door Professor John Money: “We maken er wel een Joan van”. Money publiceerde het ene succesverhaal na het andere over hoe goed Joan het wel stelde. Daar kwam een einde aan toen professor Milton Diamond met bewijzen kwam dat Money de wereld gedurende jaren had beduveld. Al heel jong had Joan haar jurkjes verscheurd, poppen weggegooid en geprobeerd staande te plassen. Op haar veertiende moest pa de waarheid wel vertellen en werd ze weer operatief John. In die jaren was er dus ook al wetenschappelijke fraude.

De oorzaak was niet publicatiedrift maar ideologie. Omdat we willen dat alles maakbaar is, is het ook zo, was het academische credo. Onderzoekers die een biologische reden zochten voor seksualiteit of gedrag werden geïntimideerd en weggepest. Toen Dick Swaab vaststelde dat homo zijn noch een ziekte noch een keuze was, maar dat de baarmoeder dat voor je bepaalde, werd hij door woeste homo’s voor Dokter Mengele uitgescholden. Poetin en kwade homo’s één strijd? In 1990 wel, ja.

De afgelopen 25 jaar is vastgesteld dat de omgeving geen enkele invloed heeft op de genderidentiteit. Bij geboorte ben je mentaal dus al jongen of meisje, al kan het wel even duren, voor je het met zekerheid weet, of beter, voelt. Gelukkig voelen de meeste baby’s met een penis zich later een jongen, en zijn de meisjes maar wat blij met hun vaginaatje. Maar stel je de wanhoop eens voor wanneer je je helemaal niet kan vereenzelvigen met dat ding tussen je benen. Het moet een foltering zijn. De Verenigde Naties noemen gedwongen genitale chirurgie ook zo. Hoog tijd dat België het Duitse voorbeeld volgt.

Deze mening verscheen het eerst in De Avond Avond van dinsdag 20 augustus 2013.

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Is er nog plaats in de hemel?

heaven
Heaven is a place where nothing ever happens

Heaven, Fear Of Music, Talking Heads, 1979

It’s all about oil, zong Billy Braggs en schreef Thomas Friedman. Was er niet die onstelpbare westelijke economische olieverslaving geweest en het meesmuilend afwijzen van alternatieve energie, dan was die militante islam er nooit gekomen.

Vroeger was de islam een zaak van stedelijke intellectuelen, vooral uit, de geschiedenis is soms cynisch, Caïro. Samen met Beiroet stak de Egyptische hoofdstad Paris qua mondainheid danig naar de kroon. Maar vanaf de jaren zeventig, met de behendig georganiseerde olieschaarste, werden in Saoedi-Arabië en aangelanden de oliedollars met reuzenschoppen binnen gegooid. Dus hoefde er niet in onderwijs geïnvesteerd, zoals in medegolfstaat Bahrein, waar in 1998 de olieproductie stilviel, maar des te meer in de verspreiding van hun intolerante, van krijgskunde verzadigde woestijnislam.

De aanleiding hiervoor was, de geschiedenis is soms cynisch, een aanval van salafistische fundamentalisten op de Grote Moskee van Mekka in 1979, die de koninklijke familie, nog niet bekomen van de Iraanse opstand, deed besluiten – if you can’t beat them, join them – het fundamentalisme te steunen. In het buitenland, weliswaar. Ook en vooral in Egypte. Met het geld komt ook de intolerantie voor andere godsdiensten en islamversies binnen. En wie niet uit godsvrucht meedoet, wordt omgekocht. Abir Sabri was gedurende jaren het uitdagende albasten gezicht van gewaagde Egyptische soaps, maar op de piek van haar carrière verdween ze van het scherm. Een paar maand later verrees ze koranverzen zingend op religieuze zenders. Niet dat ze ineens islamdienstig was. “Saoedische financiers boden me pakken geld. Vroeger investeerden ze in terrorisme, maar nu stoppen ze hun geld in cultuur”.

En zo konden de Moslimbroeders, drijvend op oliedollars en slim investerend in sociale wijkwerking, waar corrupte staten altijd jammerlijk afwezig zijn, een massabeweging worden. Nu, de geschiedenis is soms cynisch, zijn de Saoedi ’s, nog steeds treurend om Moebarak, daar ongelukkig om en steunen ze op mensen inhakkende militairen. Wie vertrouwt die mensen nog? Onze media blijkbaar. Ze brachten eerst keurig de officiële versie dat 36 Moslimbroeders bij een vluchtpoging per abuis vertraangast waren. El-Jaazeera stelde, niet de eerste keer als eerste, koel vast: afgemaakt.

Die Egyptische militairen bezorgen de hemel dezer dagen veel overwerk. De aanvoer van maagden kan de massale toeloop van martelaren al dagen niet meer volgen. Het Goddelijk Rampencomité overweegt maagdenvliesherstellende veldhospitalen. Alles wordt in de strijd gegooid behalve traangas, dat ligt gevoelig. Maar als Christoph Luxenberg, een veilig pseudoniem voor een zelfverklaarde korankenner, gelijk heeft met zijn stelling dat het Aramese koranwoord “hur” verkeerd vertaald werd, is ook in de hemel een Moslimbroedersopstand aan de gang. Want dan krijgen ze in plaats van maagden 72 witte rozijnen op een gouden schaaltje aangeboden. Hans Edens zei het al: “Ik hoef niet naar de hemel. Ik ken daar toch niemand”.

Deze tekst verscheen, een beetje ingekort, in De Standaard Avond op maandag 19 aufustus 2013.

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Modern Times


They’re gonna get to it tomorrow
But they don’t care at all
They’re gonna ease your pain and sorrow
But we heard the same before

All my lovin’ friends
Takin’ nothin’ home
And I can’t be the one
To lay troubles on

Modern Times, The Black Keys, Magic Potion, 2006.

Modern Times is op ons netvlies gebrand door het ronduit briljant acteren van Charlie Chaplin maar ook omdat het pijnlijk aangeeft tot welke excessen het Taylorisme kon leiden. Mensen die tot gereedschap worden teruggebracht – “human resources” is de walgelijkste woordengroep die de Engelse taal voortbracht – en wier functioneren je perfect kon regisseren door de maximale tijd per manipulatie vast te stellen en te laten controleren door ploegbazen en prikklokken.

Modern Times is, jammer genoeg, ook op de harde schijf gebrand van de meeste managers en vakbondsmensen. Anno 2013 denkt het gros van de managers nog altijd dat je kan nagaan of mensen hun werk doen door hun tijd te controleren en denken te vele délégués dat je de baas kunt controleren door de tijd van hun werknemers te laten meten. Het is hen blijkbaar ontgaan dat de grote meerderheid van de werknemers niet meer in een industriële omgeving werken maar in een kenniseconomie. Omdat kenniseconomie een te duur woord is, kunnen we het maar beter demystifiëren als “met een computer werken”. De prestaties van de industriële arbeider kan je perfect meten in tijd: een fabriek met een lopende band die aan 50 handelingen per uur per arbeider loopt, haalt een dagopbrengst van 1000 auto’s. En de prikklok in die fabriek die aangeeft dat Jean-Pierre 8 uur gewerkt heeft, geeft de manager de zekerheid dat hij die dag 400 deurhendels in auto’s heeft gezet.

Dat is, toch in het Westen, totaal veranderd met de teloorgang van de industrialisatie en de opkomst van een diensteneconomie. De prikklok geeft aan dat Suzanne 8 uur op het werk is geweest maar kan de manager geen enkele zekerheid geven over de hoeveelheid en de kwaliteit van haar werk. Daarvoor moet hij de resultaten meten. Alleen het aantal dossiers, nota’s, artikelen, spreadsheets of presentaties zeggen hem wie zijn werk deed en wie niet. En toch krijgt de prikklok in banken, verzekeringsmaatschappijen, uitzendbureaus en administratie nog altijd de ereplaats die hem niet meer toekomt. Het gevolg is dat vele, en nagenoeg alle jonge, werknemers zich op werkdagen tussen 9 en 5 gecontroleerd voelen. De plaats waar je werkt maakt zelfs geen verschil uit: als thuiswerk toegelaten is, wordt Suzanne ook thuis op haar tijd gecontroleerd. Ze geeft de dag ervoor aan wat ze zal doen. Op de thuiswerkdag wordt ze geregeld gebeld. En natuurlijk moet ze de dag erop rapporteren. In die organisaties is op kantoor werken een gevangenis en is thuiswerk de enkelband.

De werkgever zou net blij moeten zijn met die shift in werkorganisatie (en met de stand van de technologie, die toelaat dat de dossiers de kenniswerker volgen en niet meer omgekeerd) want als hij genoeg luistert naar zijn mensen dan weet hij dat de 9 to 5 gevangenis, zelfs met de thuiswerkenkelband, hen doodongelukkig maakt. Natuurlijk zijn er mensen die ter plaatse moeten zijn (receptie, schoonmaak, hardware-supervisors) maar het merendeel van de werknemers kunnen plaats- en tijdonafhankelijk werken. Daardoor kunnen ze hun werk/vrijetijdsbalans perfect in evenwicht brengen, de wenskreet van deze tijd. En managers zouden het moeten weten: gelukkige werknemers zijn betere werknemers.

Ook vakbonden zouden blij moeten zijn met deze evolutie. Hun terechte vrees is dat de werkdruk steeds hoger wordt. Dat kan je het best monitoren in systemen waar vooraf afspraken zijn gemaakt over de output van de werknemers en dat kan heel moeilijk in een 9 tot 5 organisatie. De baas laat de mensen gewoon harder werken in dezelfde tijd zonder dat ze dat zelf in de gaten krijgen.

En ja, ook de overheid is niet mee geëvalueerd en stuurt nog steeds sociale inspecteurs op pad om te controleren of werknemers niet te veel uren werken. Werkgevers worden gecontroleerd op basis van wetten en cao’s uit de industriële tijd. Managers die modern willen werken worden hoorndol van die nutteloze papier- en controledrift en groen van nijd wanneer ze zien dat een overheidsdienst, zoals de onze, moeiteloos het Nieuwe Werken kan invoeren omdat die achterhaalde troep niet op ons van toepassing is.

Werkgevers, vakbonden en overheid, verlos ons van het oude werken en denken.

Deze opinie verscheen op 2 augustus 2013 in De Tijd in de vakantiereeks De Dadaïsten.

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Sas

It’s the end of the world as we know it.
It’s the end of the world as we know it.
It’s the end of the world as we know it and I feel fine.

It’s the end of the world as we know it (and I feel fine), R.E.M., 1987

Als de Koning niet te misnoegd is over hen, zien de Gestelde Lichamen elkaar ieder jaar op Zijn Nieuwsjaarreceptie. “Wat zeggen die Lichamen tegen elkaar?”, vraagt mijn royalistische mama mij ieder jaar en omdat ik haar hoge dunk van dat wereldje niet wil deuken, zeg ik steeds dat het is zoals met de jaren zestig: als je er echt bij was, dan herinner je er niets meer van. Bij de koning is het niet echt door sex & drugs & rock & roll maar door de abominabele akoestiek die het nagenoeg onmogelijk maakt om in het immer conspiratoire geroezemoes ook maar iets belangwekkends te detecteren. Maar dit jaar was het anders. Koninklijke noorderburin Beatrice had net bekendgemaakt dat ze het oranjegedoe voor bekeken hield. Zou het Onze Vorst op gedachten brengen? Zou hij vanavond om 6 uur op alle media zijn aftreden aankondigen? Die geruchten werden, met de uiterste convictie experten eigen, kordaat de grond ingeboord door dezelfde mensen die je de afgelopen dagen in alle media zag uitleggen dat zij perfect hadden voorzien dat de koning zou aftreden op 21 juli.

Ineens hoorde ik de karakteristieke bariton van Sas van Rouveroj, altijd een schrandere jongen, me toefluisteren: “Stel dat President Obama alle zenders ter wereld zou vragen om 18 uur CET een kwartier voor hem te reserveren. Wat zou hij ons willen zeggen?”
Ik had geen idee. Sas keek me aan met die bloedstollende glimlach die Johan Cruyff reserveert voor de journalist die hem een listige vraag voor de goddelijke voeten durft te schuiven. Gelukkig deden op dat moment de Nog Gesteldere Lichamen, samen met het Koning en zijn in vergelijking met andere jaren flink uitgedunde familie hun intrede.

In plaats van geconcentreerd te luisteren, wat een grand commis d’état past bij het optreden van zijn premier en koning, was mijn brein totaal benomen door Obama. Zou hij de oplossing gevonden hebben voor de honger in de wereld? Neen, want het concurrentieel voordeel van Amerikaanse bedrijven zou wel voorgaan, niet? Zou hij zich verontschuldigen voor het afluisteren van zijn vrienden? Ach, na Kissinger weten we dat Realpolitik het alfa en omega is van de Amerikaanse diplomatie.

Even werd mijn koortsig denken onderbroken door de opschudding die de koning veroorzaakte door zijn afwezige familieleden aan te sporen zich financieel een beetje moreel te gedragen. “Ach, perfectie is niet van deze wereld”, dacht ik even. Toen daagde het. Obama zou zeggen dat hij de perfecte mens gevonden had. Iemand die steeds kon zeggen hoe dingen moesten opgelost worden. Iemand die zich nooit door eigenliefde of graaizucht liet overmannen. Men had hem/haar gedurende 20 jaar alle vragen voorgelegd en steeds, ook jaren later, was het antwoord correct gebleken. Bang dat er nog ergens zo’n specimen zou gevonden worden, had Amerika snel een computer gebouwd die volgens de logaritmen van de Perfect Mens werkte. Obama wist dat dit het einde was van de wereld zoals we die kennen. Democratie, de wisdom of crowds, had afgedaan. Echt warm is het nooit bij de Koning, maar nu liepen de rillingen honderdvoudig over mijn rug. Wil er iemand een perfecte wereld? Nu ja, buiten bijna alle Belgen die vinden dat het altijd de schuld van politici is als er iets verkeerd loopt.

En, vroeg Sas later, met verlekkerde blik op de succulente hapjes die door leerlingen van Een Goede Kookschool werden rondgedragen. Geen idee, antwoordde ik, verlos me.
Allez Frank, je ontgoochelt me, zei Sas die er helemaal niet ontgoocheld uitzag. Obama zou zeggen: “We are not alone”.

Deze blog verscheen voor het eerst in De Tijd van 27 juli 2013.

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Parafenzetters

Bojan ZOn A Turquoise Cloud, Bojan Zulfikarpasic, Soul Shelter, 2012

Elf jaar geleden, in de tijd dat ik nog belangrijk was want over een 50 vierkante meter groot bureau beschikte dat de belastingbetaler, omwille van de omvang, 12.500 euro per jaar kostte, stond er iedere werkdag om 5 uur ’s avonds een volle kar signataires op me te wachten. Signataires zijn een soort boeken, bordeauxrood of hemelsblauw van kleur, die uit vloeipapieren pagina’s bestaan waartussen zich door hogergeplaatsten te ondertekenen documenten bevinden. Het vloeipapier dateert nog van de tijd dat er iedere dag een nieuwgevulde inktpot op het bureau van de Secretaris-Generaal werd neergepoot, samen met de door de secretaresse persoonlijk ingelikte balletjespen. Je kunt perfect weten of een ministerie inefficiënt gerund wordt door het aantal signataires en thermossen te tellen. Dat er zoveel te ondertekenen viel kwam natuurlijk door de onwaarschijnlijke achterstand bij het digitaliseren van de processen, maar ook door de idee dat de baas de slimste is en dus alle beslissingen moet nemen. Erg handig ook: als er later iets verkeerd loopt kan je altijd verwijzen naar de handtekening van de baas.

Zuchtend en steunend aankoopbons voor wc-papier, vierkleurenbalpennen en brandblusapparaten tekenend, viel me in één van de meer sjofele signataires een pagina met twaalf parafen op. Parafen zijn verkorte handtekeningen waarmee je de baas probeert te overtuigen dat je alles gelezen hebt. Een stagiair had een, overigens uitstekende, nota opgemaakt en daarna was de nota door 12 paar paraferende handen gegaan.

Twee dagen zaten de pronte parafenzetters in chronologische volgorde van ondertekening op twaalf identieke stoelen in de gang naar mijn imposant bureau. Eén voor één vroeg ik hen of ze de nota hadden gelezen. De eerste had de nota gelezen, zei hij, en ik wist dat hij niet loog. De stagiair had me gezegd dat zijn baas, Jan, een schitterende coach was. Tot mijn grote verbazing zeiden de resterende elf zonder enige aarzeling dat ze de nota niet gelezen hadden. “We weten dat Jan zijn werk goed doet” klonk het uit elf monden. “Maar waarom teken je dan die nota’s?”, vroeg ik op een toon, die Asterixlezers onmiddellijk bloemetjes en bijtjes rond mijn hoofd laat fantaseren. “Omdat ik de baas van Jan ben”, zei nummer 2. “Omdat ik de baas van Jans baas ben”, zei nummer 3.

Later, toen we van het ministerie een FOD maakten met maximum vier niveaus, bleek dat paraferen voor sommigen de enige opdracht was. We vonden ook dat er chauffeurs naar de provincie reden waar plaatselijke directeurs een paraaf moesten zetten op een document dat een paar dagen later in een kar tot voor mijn bureau werd gereden.

Natuurlijk doet niemand nog dit soort dingen. Niemand? Eén enkel instituut biedt nog moedig weerwerk tegen de moderniteit. Iedere dag rijden ministeriewagens naar het Koninklijk Paleis om er pakken signataires, boordevol te ondertekenen wetten en koninklijke besluiten, te overhandigen aan in keurige livrei gestoken dienaars die ze op karren laden en zorgzaam tot voor de Koningskamer met eiken meubelen rollen. En die keren dat de Koning de kille koningskastelen ontvlucht, worden die karren met militaire vliegtuigen overgevlogen. En teruggevlogen. België is dus al decennia lang wereldleider in het documenten in de cloud brengen. En altijd maar weer wordt de Koning van zwembad en ontbijttafel weggesleept om massa’s dik papier te tekenen. Geen wonder dat Hij zo moe is.

Geplaatst in Geen categorie | 2 reacties

Zorro

Finbar Furey

If God needs a hero
From ould Belfast town
Build Georgie a turf pitch
Where a free man can run

The Ballad Of George Best, Colours, Finbar Furey, 2011

In Egypte, op een loopband met ingebouwd scherm waarop een Engelstalig Al-Jazeeraverslag liep over Nemo, de tornado die in VS 45000 huizen had vernietigd, moest ik aan Zorro, George Best en mijn papa denken. Op de geluidband hoorde je iemand, die onheilspellend hard als George Bush klonk, “holy shit, holy shit” roepen. Wel, dat dacht je toch want telkens het S-word eraan kwam, klonk een BIEP. Later vertelde Mahmoud, de razend intelligente IT-jongeman van het hotel, me dat Al-Jazeera daarvoor 17 mensen in dienst had. Niet eens veel als je bedenkt dat ook woorden als God, Lord, fuck en, hoop ik toch, Justin Bieber weggebiept worden.

Mahmoud keek wat verstoord naar mijn meewarige glimlach die zich moeiteloos als neokoloniaal catalogeerde en dus vertelde ik hem snel over een hallucinant sixties BBC-interview met George Best, Engelse equivalent van Serge Gainsbourg (hij kon ook niet zingen) en de beste Manchester Unitedspeler ooit, die net zoals zovele Ieren honderd woorden voor whisky kende maar zijn kennis van bijvoeglijke naamwoorden beperkte tot “fucking” en “shitty”. “The fuckin’ referee looked away when that Sh-City bastard got me by the balls”. De biepmensen, ik schat dat er meer nodig waren dan Al-Jazeera nu tewerkstelt, hadden nóg handen tekort. Wat een nieuw licht werpt op het feit dat de Engelsen de BBC the beeb noemen.

Mensen zoals Monseigneur Leonard of Etienne Vermeersch, die denken te mogen bepalen wat anderen mogen horen, zien en zeggen, welke kleren je wanneer mag dragen of wanneer je mag sterven, daar kon mijn papa niet tegen. En dat kwam door een voorval in 1960, toen Zorro mijn papa bij valavond stond op te wachten aan de achterdeur van ons huisje in Zerkegem. Mijn papa maakte één van de ergste weken van zijn leven mee. Casteleyn, de fabriek waar hij al sedert zijn veertiende werkte, was van de ene dag op de andere failliet en papa ineens werkloos. Dus fietste hij, ’s anderendaags al, de 17 kilometer naar de Werkbeurs, zo heette de RVA toen, om alle adressen van fabrieken in Brugge te gaan ophalen. Het waren er toen maar 15. In het katholieke Brugge, zo ging het de ronde, was men bang dat met de industrie ook de roden en de afvalligen hun intrede zouden doen.

Papa ging zich bij alle vijftien “presenteren”. En toen hij afgepeigerd na 40 km fietsen en doodzenuwachtig van het “met de klak in de hand” solliciteren thuiskwam, stond Zorro hem op te wachten. Zorro was de legendarische pastoor van Zerkegem. Joris De Bie verachtte alle beslissingen van het 23e Vaticaans Concilie. Dat liep hij duidelijk blijken in zijn preken maar vooral door zijn kledij. Nooit heeft hij het oude pastoorkleed afgelegd. Dat leverde hem bij de Zerkegemse jeugd de naam Zorro op. Zorro had die dag 14 telefoons gekregen.

“Is die Firmin Van Massenhove iemand die we kunnen vertrouwen, mijnheer pastoor?” “En wat heb je gezegd?”, vroeg papa iets scherper dan hij zelf wilde. Zorro had iedereen verteld dat hij een trouwe kerkganger was. Die avond smaakte het eten papa niet. “Wat heeft dat kerkgedoe nu te maken met wat ik kan?” Papa keek me zeer ernstig aan: “Frankietje, je moet altijd meedoen want zij bepalen ons leven. Maar je moet in al die zever nooit geloven. Je krijgt daar alleen maar miserie van”. Toen ik op 19 maart 1968 aan papa vertelde wat ik aan de leraar godsdienst gezegd had – “Ik geloof niet” – kreeg hij bijna een beroerte. Zijn zoon had net zijn toekomst weggegooid, dacht hij.

In de week na de wonderbaarlijke fietstocht kreeg papa 15 brieven. Hij kon in elk van de 15 fabrieken “beginnen”. Hij koos voor de Algemene Onttinningsfabriek. Die hadden niet de beste voorwaarden. Maar ze hadden niet met Zorro gebeld.

Deze blog verscheen als column in De Tijd van 29 juni 2013.

Geplaatst in Geen categorie | 1 reactie