Dro(o)gredenering

R-3211842-1320684270_jpeg

I don’t like drinking, but drinking loves me

Song For The Functioning Alcoholic, Babybird, The Pleasures Of Self Destruction, 2011

In de Volkskrant van 22 februari stond een hallucinant stuk over de onthutsende epidemie van gevaarlijke illegale alcohol, in de volksmond “Oplosan”, in Indonesië, het grootste moslimland ter wereld. In één weekeinde stierven er in Yogyakarta alleen al 26 studenten na het drinken van “tijgermelk”. De kranten schrijven er nog amper over omdat oplosandoden even gewoon zijn als doden in het verkeer. De illegale alcoholproductie schoot heel snel de hoogte in nadat in januari 2015 de verkoop van bier in kleine buurtwinkelier verboden werd. Het bier in supermarkten en in cafés is voor de meeste Indonesiërs onbetaalbaar, dus kopen ze oplosan en sterven bij bosjes.

De situatie dreigt nog pregnanter te worden want in het parlement ligt een prioritair wetsvoorstel klaar dat een totaal alcoholverbod instelt. De initiatiefnemers zijn leden van twee islamitische partijen. De jeugd drinkt, poneren ze want 0,12 procent van kinderen onder 18 jaar dronk al eens alcohol. Voor zo’n percentage zou Maggie De Block onmiddellijk tekenen maar in Indonesië wordt dat alcohol-noodtoestand genoemd.

Een eeuw na het invoeren van de drooglegging in de Verenigde Staten, die Lisa McGirr in haar boek The War On Alcohol één van de rampzaligste beslissingen in de Amerikaanse geschiedenis noemt, gaat Indonesië dezelfde weg op. Het ligt voor de hand om zuiver godsdienstige motieven achter de alcoholverboden te zoeken maar dat is slechts een gedeeltelijke uitleg.

In Indonesië wordt het wetsvoorstel niet als een moslimprogrammapunt ervaren want het vindt ook genade in de ogen van christenen, boeddhisten en hindoes. Ook in de VS sloeg een bijzonder bonte coalitie de handen in elkaar voor de totstandkoming van de Prohibition. Natuurlijk zaten daar heel wat rijke, van morele superioriteit druipende Wasps (White Anglo-Saxon Protestants) tussen, zoals Charles Eliot, president van de Harvard University, die geloofde dat alcohol naar de teloorgang van het witte ras zou leiden, maar ook een suffragette zoals Elisabeth Tilton.

Als vrijwilligster in wijken waar Ierse migranten in krotten samengeperst werden, zag ze de ravage die alcohol er aanrichtte en werd een fervent voorstander van een alcoholverbod. Haar afkeur voor alcohol werd natuurlijk niet getemperd door de houding van de brouwerijen die bang waren dat vrouwen op Anti-Saloon Leaguepolitici zouden stemmen en daarom alle tegenstanders van het vrouwenstemrecht rijkelijk van fondsen voorzagen.

Bierproducenten waren de uitzondering: de meeste fabrieksbazen waren anti-alcohol. Ze zagen met lede ogen de lege maandagse fabriekshallen aan. Hun werknemers, Ierse, Duitse en Poolse migranten, sliepen hun roes tot diep in de Blue Monday uit. En met het geld dat ze aan drank uitgaven, konden beter hun producten gekocht worden, redeneerden ze.

Hoe heftig hun afkeer voor alcohol ook was, toch waren de anti-alcoholisten erg verdeeld. De Progressieven wilden een landelijke oplossing via een grondwetherziening (het latere Amendment 18). Conservatieven, zoals William Taft, rechter bij het Supreme Court, waren doodsbang voor een te sterke centrale staat. “Voor het controleren van een nationale drooglegging zullen nog horden nieuwe controleurs nodig zijn en we hebben al honderdduizenden federale ambtenaren!”, schrijft hij aan Tilton, die er niet van onder de indruk is. Hun discussie is tot op vandaag nog levendig aanwezig in de Amerikaanse politiek.

Het 18e Amendement zou er nooit gekomen zijn zonder de eerste wereldoorlog, stelt Girr. Frankrijk verbood de verkoop van absynthe op de eerste oorlogsdag. In Rusland kon je geen wodka meer kopen in de kleine winkeltjes en in Oostenrijk en Engeland werden de openingsuren van de cafés ingeperkt. De Amerikaanse alcoholbestrijders rekruteerden nieuwe medestanders met hun standpunt dat America achter het progressieve Europa aanhinkte.

De Prohibitisten mengden de anti-migrantengevoelens met het chauvinisme dat in 1916 oplaaide toen ook de USA aan de oorlog deelnam. “We moeten onze bevolking opdelen in patriotten en sympathisanten van de vijand door de on-Amerikaanse, pro-Duitse, misdaad producerende, jeugd corrumperende, familie opbrekende alcoholhandel te verbieden,” kon je lezen in pamfletten van de Anti-Saloon League. Een mooi voorbeeld hoe anti-migratiegevoelens gebruikt worden om een politieke agenda uit te voeren, iets wat heden ten dage in ons Verlicht Westen vanzelfsprekend niet meer mogelijk is.

De drooglegging duurde 13 jaar. De steeds driestere en groter wordende Ku Klux Klan gebruikte het alcoholverbod om straffeloos zwarte joints aan te vallen. Gevangenissen moesten bijgebouwd voor de duizenden alcoholovertreders (toen al was de gevangenisbevolking vooral arm en/of zwart). Illegale alcoholproducenten werden rijk en professioneel. De Georganiseerde Misdaad was een feit. Hij zou zijn actiegebied tot drugs uitbreiden en de Amerikaanse binnensteden nog een ganse eeuw terroriseren. Politici en ambtenaren gaven zich over aan nooit geziene corruptie. Maar vooral, de War on Alhohol verminderde de consumptie van alcohol niet, net zoals de War on Drugs de consumptie van drugs niet vermindert. De academische en politieke consensus in Amerika nu, zegt Girr, is dat de drooglegging een morele kruistocht was die alleen ellende voortbracht. Dat inzicht, zegt ze, is er nog niet voor de War on Drugs.

De enorme aanhang voor de drooglegging was in 1933 helemaal weggesmolten. President Roosevelt verklaarde: “Het is tijd om iets aan het bier te doen” en schrapte met één pennentrek en zonder enige weerstand het idiootste gedragsexperiment dat Amerika ooit kende.

Naschrift

Deze tekst verscheen als column in De Tijd van 27 februari 2016.

De videoclip van Babybird: https://www.youtube.com/watch?v=_bD3a3q9mWs

De keuzeweelde voor de muziek was deze keer roesverwekkend. Wat ik ook had kunnen kiezen:

Art Brut – Alcoholics Unanimous https://www.youtube.com/watch?v=OaHV4ysxjIU

David Byrne – The Man Who Loved Beer: https://www.youtube.com/watch?v=4u_p0Kksc64

Bap Kennedy – On The Mighty Ocean Of Alcohol: https://www.youtube.com/watch?v=Q_BgH_23Ltk

Kinks – Demon Alcohol (met schitterende cartoon):  https://www.youtube.com/watch?v=Lh4h1Cx2E0M

Gomez – Chasing Ghosts With Alcohol: https://www.youtube.com/watch?v=eWU7pHpjE20

Gogol Bordello – Alcohol: https://www.youtube.com/watch?v=5fmZCve025Q

The Andrew Sisters – Beer Barrel Polka: https://www.youtube.com/watch?v=xnGEX72AToU

Kevin Fowler – Beer Me: https://www.youtube.com/watch?v=ALMcwX-JM6g

Ry Cooder – One Cat, One Vote, One Beer: https://www.youtube.com/watch?v=QSwzjD0L4co

Slim Dusty – Pub With No Beer: https://www.youtube.com/watch?v=7cKPchRDaVM

Bobbejaan Schoepen hoorde het singletje van Slim Dusty toen hij ein jaren vijftig in Engeland was. Hij maakte het beroemd in ons land met Café Zonder Bier. Hij nam het ook in het Engels op voor  De Ordonnans, een film die in 1962 is opgenomen: https://www.youtube.com/watch?v=ZDGFxdwdvoM

In 1999 maakte Dead Man Ray een soundtrack bij de film en nam ook een versie van Pub With No Beer op: http://tinyurl.com/jaseydx

Lisa McGirr ziet alleen maar nadelen in de drooglegging. Er was één positief gevolg van al die ellende: de jazz floreerde in de speakeasy, de plek waar illegale alcohol genuttigd werd. In de Cottom Club en vele andere Harlemse jazzkroegen konden jonge zwarte musici experimenteren in een genre die hen heel snel zou voeren naar de meest prestigieuze podia, die vroeger alleen toegankelijk waren voor brave blanke muzikanten.

Tijdens de country blues boom van de 1920’s and 1930’s was de drooglegging een geleifd thema. De tekst van Bootleggers’ Blues van de Mississippi Sheiks https://www.youtube.com/watch?v=oADsyFEz7aU spreekt boekdelen:

Bag of whiskey on my back
And the sheriff is on my track
I’m gonna make it through the world
If I can

I’d take your worst to go my bail
‘Ruther to go to the county jail
You better make it through the world
If you can

If you can, if you can
You better make it through the world
If you can

If you want to have to leave home
You just stick wit’ a bottle of corn
You have to make it through the world
If you can

You may think they’s doin’ you wrong
But they’ll send ya to the county farm
You better make it through the world
If you can

Het verhaal rond Jake Leg Blues is hallucinant: https://www.youtube.com/watch?v=2COwe6-yLvg

In het zuiden van de USA werd al lang een “Jake Ginger” verkocht, niet als alcohol maar als middel tegen maagklachten. Maar tijdens de drooglegging werd die drank door bootleggers aangelengd met stoffen die tot ernstige zenuwschade leidden. Ernstige Jake Gingerdrinkers kon je herkennen aan de manier waarop ze met met hun voeten sleepten.

Memorabele versie van Jake Leg Blues door Willie “Poor Boy” Lofton: https://www.youtube.com/watch?v=wB4Ii4p3xts

De hedendaagse Jake Leg Jug Band vinden in die periode niet alleen inspiratie voor hun naam maar ook hun repertoire: http://www.thejakelegjugband.com/

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Coöperativiteit

de werkerscooperatievp

The Cooperative Hymn

http://tinyurl.com/j9zlqm2

Op woensdag 17 februari 2016 werd het boek De Werkerscoöperatie (Acco) voorgesteld. De auteurs, Dirk Ameel, Rudi Bollen, Joris De Wortelaer, Kristel Maasen, Peter Tierens, Nora Timmermans, Muriël Wouters en Johann Wuestenberg (veel hé, ja zo gaat dat in een coöperatieve) vroegen me het voorwoord te schrijven. Dat vindt u hieronder.

 

Volgens de overlevering beslisten 28 wevers in 1844 om hun lot in eigen handen te nemen. Ze richten de Vereniging der Rechtvaardige Pioniers van Rochdale op en startten een coöperatieve winkel. Zij worden beschouwd als de founding fathers van de coöperatieve beweging. In feite was slecht één derde van de oprichter wever en waren er veel voorgangers van Rochdale. De geschiedenis van de coöperatieve beweging zit barstensvol mythes en epische verhalen. Dat heeft ze gemeen met alle tegenbewegingen in de wereld. De coöperatie was een reactie op het barse kapitalisme dat de industriële revolutie kenmerkte. De Rechtvaardige Pioniers van Rochdale mogen dan niet de eerste coöperanten zijn geweest, ze hebben met hun Rochdale Principles de grondslag gelegd voor een organisatievorm die tot op vandaag standhoudt. Hun principes zijn te lezen als een spiegelbeeld van hoe men met de arbeiders in de fabrieken van Manchester en omstreken omging.

Dat beeld, de coöperatie als antikapitalistisch alternatief, is blijven hangen. En toen de  ideologische tinten begonnen te verkleuren, kwam de financiële crisis van 2008 eraan. Geconfronteerd met de immoraliteit, geldhonger en totale onverantwoordelijkheid van de grootbanken zochten mensen koortsachtig naar een waardengedreven alternatief. Het voorbeeld van Mondragon vond zijn weg naar alle media ter wereld. Zelfs The Economist was onder de indruk.

Bij vele van de reacties op Mondragon was niet zelden de teneur: “ik heb de toekomst van de economie gezien en ze heet coöperatieve”.

Ook ik denk dat de economie zal “ver-coöpereren. Die overtuiging heeft weinig te maken met ideologie. Het heeft te maken met de vaststelling dat een aantal tendensen er zullen voor zorgen dat mensen steeds meer eigenaarschap zullen wensen in de organisatie waar ze werken.

De belangrijkste vaststelling is dat het Tayloriaanse denken dat mensen als verlengstukken van machines ziet, op zijn laatste benen loopt. Taylor zag de arbeider als een niet-denkend wezen dat alleen uitvoerde. Het denkwerk gebeurde door opzichters en managers. Hij standaardiseerde tot alle denken bij het werken wegviel. Taylor kwam niet alleen tot zijn theorie omwille van zijn negatief mensbeeld (“mensen zijn van nature lui”) maar ook omwille van de omstandigheden: de meeste mensen waren ongeschoold, zelfs ongeletterd. Ook in de Gentse socialistische coöperatieven was de ingenieur de baas en moest de rest simpelweg uitvoeren.

De wereld is ondertussen ingrijpend veranderd. Meer dan 70% van wie nu op de arbeidsmarkt komt is hoger geschoold. Waarom zouden die goed opgeleide mensen willen werken voor een werkgever die in hen enkel een loonslaaf ziet en niet een mens die zoals iedereen waardering wenst? Of beter: waarom zouden ze daar blijven werken?

Steeds meer jonge mensen hebben door dat de zoektocht naar een droomjob zinloos is. Ze weten dat ze moeten zoeken naar een droomwerkgever om daar hun droomjob te realiseren. Die droomwerkgever is niet de best betalende maar de organisatie die zijn werknemers de ruimte laat om de beslissen hoe de taken worden ingevuld, die hen op zoek laat gaan hoe het beter, en vooral, hoe het totaal anders kan.

De toekomst is aan ondernemingen die hun medewerkers aanmoedigen om entrepreneurs te zijn. In de organisatie én in een bijjob, als mensen dat ambiëren. De ervaring die je in een eigen bedrijfje opdoet kan van bijzonder grote waarde zijn op de plek waar je het gros van je tijd werkt.

De volgende stap in het bewustwordingssysteem van mensen die zich als entrepreneurs gedragen in een organisatie is dat ze ook als intellectuele én reële aandeelhouders willen behandeld zien. Stelselmatig zullen de coöperatieve waarden ingang vinden. Niet omdat ze ideologisch superieur zijn maar omdat ze beter passen bij de 21e-eeuwse realiteit.

De coöperatieve idee wacht een grote toekomst maar die toekomst hoeft zich niet noodzakelijk af te spelen in een coöperatieve omgeving. Voor heel wat historische sociaaleconomische organisaties, die alleen juridisch en niet naar waarden coöperatieven zijn, zal dit boek hopelijk een wake-up call zijn. Het gevaar bestaat dat ze onderuit gaan door de disruptieve vernieuwing van bedrijven die volgens de statuten geen coöperaties zijn maar die de waarden van de founding fathers beter belichamen dan zij die op hun briefpapier met gepaste trots laten weten al decennia organisaties van sociale economie te zijn.

Dit boek bezondigt zich niet aan het mythologisch taalgebruik dat veel boeken over coöperaties onleesbaar maakt. Maar de auteurs lukken er wonderwel in, ondanks de onderkoelde toon, om je te overtuigen van de grote potentie van de coöperatieve’ waarden.

Maar het boek wil niet bekeren. Bovenal legt glashelder alles uit wat je moet weten over de coöperatieve. Take your pick.

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Beke-ren

R-2562403-1322672793_jpeg

Milestones, Miles Davis, Milestones, 1958

https://www.youtube.com/watch?v=k94zDsJ-JMU

Op woensdag 9 november 1994 kreeg ik een telefoontje van Frank Beke. Precies een maand eerder had de SP, de partij waarvan hij de lijsttrekker was, de Gentse gemeenteraadsverkiezingen gewonnen. De SP haalde 137 stemmen meer dan de VLD, de partij die volgens alle prognoses de grote winnaar zouden worden. VLD en SP hadden voordien afgesproken om de paarse coalitie verder te zetten. De partij met de meeste stemmen leverde de burgemeester. In de nacht van 9 op 10 oktober begon de lijstrekker voor de VLD, de diep ontgoochelde Sas Van Rouveroij, na een jarenlange nicotinestop, weer verwoed te roken en werd Frank Beke tot zijn uiterste verbazing de nieuwe Gentse burgemeester.

Frank Beke vroeg me of we even konden praten. “Hij zal je vragen om zijn kabinetschef te worden”, fluisteren opgewonden Gentse vrienden me toe. En zo kwam het dat ik enkele dagen later het statige stadhuis betrad met de vaste intentie neen te zeggen tegen Beke. Ik was toen adviseur op het kabinet van de Vlaamse minister van tewerkstelling en had daar de tijd van mijn leven. Ik leerde er de knepen van het vak van Fons Leroy en Anne Van Lancker, die weliswaar leeftijdsgenoten waren, maar jaren ervaring en pakken meer talent hadden.

“Wat zou ik gaan doen in Gent? Een paar weerbarstige kasseien verleggen?” Met dat soort verwaandheid kwam ik aan bij Frank Beke, die maar een paar seconden nodig heeft om mensen te doorgronden. “Wel, Frank”, zei hij, “je hoeft natuurlijk niet te komen als je er geen goesting voor hebt, maar ik ga je uitleggen wat mijn plannen zijn. Ik wil het historisch centrum van Gent verkeersvrij maken, ik wil dat de politie grondig gereorganiseerd wordt (de schandalen binnen de Gentse politie hadden zelfs tot een parlementaire commissie geleid), er moet eindelijk een echt museum voor moderne kunst komen (het SMAK lijkt al decennia te bestaan maar kwam er pas in 1999) en er zou een socio-economisch plan voor de volgende 20 jaar moeten komen waar ook de democratische oppositie achter staat.” Hij wachtte even, keek me rustig aan en vroeg zachtmoedig “Wat denk je?”

Gelukkig woonde ik toen op 8 minuten lopen van het stadhuis. Ik haalde net het toilet. “Ga ik dat echt kunnen”, gonsde het door mijn al flink kalend hoofd. Mijn verwaande zelfzekerheid had een fikse knauw gekregen toen ik het takenpakket hoorde maar was helemaal onderuit gegaan door het enorme vertrouwen dat Beke blijkbaar in mij stelde.

Later stelde ik vast dat vertrouwen geven Bekes tweede natuur was. En dat ging erg ver. Nu en dan vertelde ik hem over de voortgang in de dossiers maar ik hoefde nooit te rapporteren. Ik werd daar een beetje onrustig van en op een dag vroeg ik hem, quasi terloops: “Baas, ben je eigenlijk wel content met wat ik doe? Je zegt daar nooit iets over ”. Beke lachte fijntjes en vertelde me in perfect Duits het verhaal van een Duits jongetje dat niet sprak. Dokters vonden geen enkel defect en toch sprak het kind niet. De ouders hadden zich bij de situatie neergelegd. Op een avond bij het middageten, het kind was ondertussen al negen, zegt het opeens “er is geen zout op de patatten.” De ouders kijken verstomd naar de kleine tot mama “kan jij praten?” kan uitbrengen. “Natuurlijk”, zegt de kleine. “Waarom zei je dan niets”, vraagt mama. “Bis jetzt war alles in Ordnung”, antwoordt de kleine.

“Voila, chef, zo is dat ook met mij”, lachtte Beke. Om de twee Franken uit elkaar te houden noemden we Beke baas en ik was Chef. Management By Telling Jokes is sindsdien een vast ingrediënt van mijn managementstijl. Het is maar één van de vele dingen die ik van Beke leerde. Ik vind Frank een heerlijke man.

Dat hij ook een superbaas is, leerde ik van Sydney Finkelstein en zijn boek Superbosses. Daarin beschrijft hij de meest uiteenlopende soort mensen die extraordinaire dingen voor elkaar kregen. American Footballcoach Bill Walsh, ontwerper Calvin Klein, hefboomfondsfenomeen Julian Robertson, filmmaker George Lucas en jazzman par excellence Miles Davis verdringen elkaar op de pagina’s. Wat maakt hen zo succesvol? De ondertitel vertelt het al “How exceptional leaders master the flow of talent”. Naast alle andere talenten hebben ze het enorme talent voor talent. Ze ruiken het bij anderen en hebben er een enorm genoegen in hun mensen  te zien openbloeien. Dat deed Miles Davis met John Coltrane, Herbie Hancock, Wayne Shorter en nog tientallen anderen. Dat deed Alice Waters, die haar restaurant Chez Panine in 2001 tot beste restaurant van de USA zag uitroepen, maar die vooral blij is met het half dozijn koks die bij haar “opgroeiden” en nu hun eigen toprestaurant runnen. Dat deed dus ook Frank Beke met Freya Vanden Bossche, Karin Temmerman, Daan Schalck (Gentse havenbaas), uw dienaar en vele andere.

Finkelstein geeft in zijn boek aanwijzingen hoe je een superbaas kan worden en met dat bekeringsgedrag gaat hij glorieus de mist in. Zijn boek toont net aan dat Superbosses zich niet houden aan systemen, carrièreladders en How To-lijstjes. Het is zoals met schilderen en voetballen: als je over het talent beschikt, heb je die boekjes niet nodig. En als je het talent niet hebt, kun je beter je geld aan andere dingen uitgeven.

Naschrift

Deze tekst verscheen als column in De Tijd van 13 februari 2016.

Video Milestones: https://www.youtube.com/watch?v=k94zDsJ-JMU

Op Milestones hoor je het klassieke Miles Daviskwartet (Paul Chambers op bas, Philly Joe Jones op drums, Red Garland op piano en de meester zelf op trumpet). Gasten zijn de latere jazzgrootheden  Cannonball Adderley (alt sax) en John Coltrane (tenor sax). Vanaf zijn echte eerste album Birth Of The Cool  (1957) (met Gerry Mulligan en Lee Konitz) tot zijn echt laatste Tutu (1986) (met Marcus Miller) moest je de kleine letters op de hoes ontcijferen om te weten wie het de volgende jaren zou maken op de jazzscene. Niemand had een neus voor talent als Miles. Op zijn fabuleuze Kind Of Blue (1959) haalde hij Bill Evans (piano) binnen, op zijn klassieke Seven Steps To Heaven (1963 deed Herbie Hancock zijn entree en op zijn mysterieuze In A Silent Way spelen Chick Corea, Herbie Hancock, John McLaughlin, Josef Zawinul en Wayne Shorter.

Miles Davis gaf de jazztrompet een intimiteit die niemand er, na het geschetter van de boppers, in vermoedde. Zijn toon en nuance gingen niet verloren met zijn dood.

Luister maar eens naar Jeremy Pelt http://tinyurl.com/hzwr73d of naar Tomasz Stanko http://tinyurl.com/hf4cu25

Wynton Marsalis bouwde ganse muziektheorieën rond nagenoeg alles in jazz en soms ook rond de zachte milestoets. Zijn J Mood (1986) had even goed Miles Mood kunnen heten: http://tinyurl.com/h4zax4x

Er wordt niet geheel ten onrechte meewarig gedaan over zijn hoogdravendheid maar wil je de onwaarschijnlijke muzikant die erachter zit leren kennen, luister dan bijvoorbeeld eens naar zijn solo in Layla, die hij samen met Eric Clapton bracht in het Lincoln Center een paar jaar geleden: http://tinyurl.com/lwt44p7

Miles Davis had groot respect voor Jimi Hendrix. Zij ontmoetten elkaar via Betty Davis, toen de vrouw van Miles, maar het kwam niet tot de geplande studiomeeting. De reden kan Jimi’s voortijdige dood zijn maar er zijn nogal wat aanwijzingen dat Miles de wijze waarop Betty, die zich zelf een Nasty Gal noemde, haar verregaande interesse in de persoon Jimi toonde, niet echt op prijs kon stellen. Betty vergat Jimi nooit en nam hem heel liefdevol op in haar lofzang op de funk op het album Nasty Gal: http://tinyurl.com/h5swxjg

 

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Hindermacht

R-256507-1188750879_jpeg

Revolution comes in the strangest way

I wish you’d tell, I wish you’d tell

David Bowie, We Prick You, Outside, 1995.

“Jarenlang waren er hier nooit kandidaten voor de sociale verkiezingen, maar straks zou daar wel eens verandering in kunnen komen”, verzucht de CEO Jan. “Maar misschien moet ik daar niet ongerust over zijn ”, verzacht hij snel.  “We meten de tevredenheid van onze mensen en hun fierheid om voor ons te werken en dat zit meer dan goed. Dus zal een vakbondsdelegatie dat ook wel inzien”.

“Zal ik het hem zeggen?”, denk ik, wetend dat het hem weken slaap zal kosten. Belgische vakbonden kijken naar werk zoals creationisten, die de bijbel woordelijk geloven en er dus van overtuigd zijn dat God de mensen strafte voor hun appeleten in het Aards Paradijs door hen tot het eind der dagen te laten werken in het zweet hunner aanschijns. Wat doet een vakbond die ervan overtuigd is dat werknemers uitgebuit worden en werk dus een straf is? Op ieder overleg met de werkgever eisen dat er meer mensen in dienst komen, dat er minder gewerkt wordt en dat er meer betaald wordt. En dus zet men systematisch de voet dwars wanneer bedrijven efficiënter willen werken. Het syndicale devies blijft strijden voor het behoud van stokers op elektrische treinen.

Natuurlijk zijn met de industriële revolutie vormen van menselijke miserie ontstaan die de hedendaagse westerling met afschuw vervullen en is het normaal dat vakbonden die uitbuiting toen als een natuurlijke karaktertrek van iedere kapitalist/werkgever ervoeren. Maar het werd tot op vandaag de syndicale grondhouding van onze vakbonden, het doortrok hun cultuur en bepaalde in hoge mate de wijze waarop er naar arbeid gekeken wordt. Ze blijven zweren bij het conflictmodel Arbeid tegen Kapitaal maar vooral vice versa. Dat de werkgevers uit zijn op de uitbuiting van arbeiders is de laatste 150 jaar de grondslag van hun business model geweest, dat hen verzekert van een unique selling proposition. “We zijn er om jullie te beschermen”. “Goede” werkgevers gooien zand in de ledenmakersmachine.

De socialistische vakbond blinkt uit in dat soort aftands denken. Maar je vindt het ook in een afgebleekte versie terug bij de andere vakbonden. Dat kan eigenaardig lijken voor de christelijke vakbond, die door zijn zuil werd opgericht als tegengewicht voor de oprukkende socialistische invloed, getuige de oorspronkelijke ondertitel van Het Volk, het huisorgaan van de christelijke vakbond: Anti-Socialistisch Dagblad. Maar in de ledenconcurrentiestrijd kon ook deze vakbond niet anders dan hun principiële keuze voor overleg en samenwerking tussen de verschillende maatschappelijke groepen op vele punten bijstellen door elementen van de socialistische klassenstrijdtheorie in hun cultuur op te nemen. Tekenend hiervoor is dat in 1912 de ondertitel van Het Volk Christen Werkmansblad werd.

In de Knack van 13 januari gaf de wijze Luc Cortebeeck ons een aantal intrigerende inzichten mee. “Als de vakbonden buitenspel worden gezet, zal extreemlinks hun plaats innemen” is er één van. Iedere regering kan beter met die voorspelling rekening houden, vooral wanneer zij constant “jobs, jobs, jobs” roept. Want zelfs een regering die niet druipt van syndicale bewondering, weet dat een land zonder sociale dialoog “minder jobs, minder jobs, minder jobs” betekent .

Maar ook de vakbonden hebben de opdracht om hun organisaties niet in handen van extreemlinks te loodsen door hun taal te spreken en door in de 21e eeuwse context  consequent voor een 19e-euwse klassenstrijdcultuur te kiezen. Het gevolg daarvan hebben we in de eerste dagen van dit jaar gezien, toen het NMBS-dossier gekaapt werd door de PTB-gezinden in het FGTB. Dit tot groot afgrijzen van Rudy De Leeuw en Marc Leemans, die lijdzaam moesten toezien hoe het draagvlak van hun organisaties zienderogen afkalfde.

Dit soort ervaringen kunnen vakbonden alleen vermijden door zichzelf heruit te vinden. Dat is een moeilijke oefening. Zelfs voor een Cortebeeck die in het interview poneert dat de vakbond niet moet meegaan met de tijd “omdat je er niet zomaar kan mee akkoord gaan dat een job in allemaal kleine jobjes wordt opgesplitst”.

Dat een vakbond zich daartegen verzet is haar plicht en ze zal daarin passief maar massaal gesteund worden maar het is niet wat de meerderheid van hun leden bezighoudt. Zij zien hun werkgever niet meer als hun vijand, zij zien hun job niet als een straf maar als een middel om hun leven zin te geven, als iets om trots op te zijn. Ze willen tijd hebben voor gezin en vrienden. CEO Jan en vele andere managers die zo’n bedrijfscultuur willen installeren worden geconfronteerd met verbeten délégués die zich vastklampen aan prikklokken en tijdstabellen en die in de plaats van hun leden, en zonder het hen ooit te vragen, beslissen wat goed voor hen is.

Ja, vakbonden zijn broodnodig. En ja, hun bestaan wordt bedreigd. Maar niet door een regering die niet van hen houdt of door werkgevers die van het tijdsgewricht gebruik maken om hun dossiers door te drukken, maar door hun eigen onmacht om de oude gedachten achter zich te laten. Ofwel worden vakbonden, samen met overheid en werkgevers mede-werkers aan de toekomst waarin er voor hen een belangrijke rol blijft, ofwel blijven ze soldaten van een verdampende hindermacht.

 

Naschrift

Deze blog verscheen in De Tijd van 30 januari 2016

Video We Prick You:  https://www.youtube.com/watch?v=8i9nahfpuG0

 

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Hybris

Paul Bley

And Now The Queen, Paul Bley, Hommage To Carla Bley, 1993

11 juli 1977 is één van de gelukkigste dagen van mijn leven. Ik kreeg op die dag mijn universitair diploma. Nooit meer de nachtmerrie van weken studeren, nooit meer die plotse paniek dat je één minuut voor het examen overvalt. In de plaats kwam een bijna niet te dragen gevoel van trots het eerste arbeiderskind uit Zerkegem te zijn die slaagde aan de universiteit.

Die avond was het grote fuif in de Vooruit. Moegedanst op Iggy Pop’s Lust For Life (zijt maar zeker) en Parti Smith’s Gloria (“Jesus died for somebody’s sins but not mine”, absoluut) loop ik vele uren na middernacht door de Bagattenstraat. In een zijstraat klinkt een ijselijke kreet. Een paar seconden later zie ik een jonge vrouw uit de zeildoeken van een hoekpand in restauratie scheuren. Ineens staat ze voor me. Haar gezicht is verwrongen van angst. Ik moet iets gevraagd hebben als “kan ik helpen?”. Pas dan ziet ze een man voor zich staan. Haar ogen worden nog groter. Ze gilt bloedstollend en stormt van me weg.

Ineens bloednuchter maar nu dronken van conflicterende gevoelens loop ik door de stad. Bij de deur van mijn kot daagt het me: die vrouw is aangerand en ziet me als de volgende verkrachter. Die nacht slaap ik amper. Ik voel me laf, onmachtig en raar genoeg, ook schuldig.

De volgende dagen, weken en maanden spreek ik met nagenoeg iedereen uit mijn kennissenkring over die nacht. Ik kom tot de verbijsterende vaststelling dat de wereld die ik ken die van de mannen is en dat er daarnaast een wereld van de vrouwen bestaat. Mijn mannelijke wereld is een gigantisch aards paradijs waarin ik zonder enig gevoel van gevaar kan ronddollen. Vrouwen leven in een donker bos vol predatoren.

Geschrokken luister ik naar mijn vriendinnen. Ik dacht toen dat een verkrachting even zeldzaam was als een atoomexplosie maar minstens vier vrouwen vertellen me verkracht te zijn. Bijna iedere vriendin heeft zich ternauwernood kunnen redden uit de grijpgrage handen van mannen met de broek op de enkels. Het lief van een man die ons in de Wetswinkel hielp vertelde me dat ze geslagen werd. Toen ik daar met een paar wetswinkeliers over sprak kreeg ik van één van hen te horen dat dit een probleem was tussen twee mensen waarmee we ons niet moesten bemoeien. De strijd voor het socialisme ging voor.

Daar was ik niet langer van overtuigd. Het vrijwilligerswerk in de Wetswinkel ging op waakvlam. Mijn vrije tijd stopte ik in het project om een vluchthuis voor vrouwen op te zetten. Niet gehinderd door enige neutraliteit gaf ik, toen BTK-inspecteur, een gunstig advies voor een tewerkstellingsproject in  het Vluchthuis. Het comité met vertegenwoordigers van vakbonden en werkgevers wilde het project niet toestaan. Als vrouwen al geslagen werden dan was dat door ongeschoolde havenarbeiders na een nacht stappen, wisten ze.

Ik kreeg het er toch door, reed naar het huis dat ik toen samen met Willem Debeuckelaere bewoonde. We belden al onze vrienden en vriendinnen en gaven een feest dat tot de vroege ochtend duurde. Ik had het gevoel het meisje in de Bagattenstraat gewroken te hebben.

Het Vluchthuis moest al na een paar weken vrouwen weigeren. Het zat barstensvol. En ja, er was een vrouw van een havenarbeider maar ook een vrouw van een notaris en een vrouw van een rechter. Niet dat ik dat met mijn eigen ogen kon vaststellen. Ik was namelijk een man. En mannen mochten het Vluchthuis niet binnen. Alle mannen zijn potentiële verkrachters, vonden radicale feministen.

Die weigering katapulteerde mijn gevoelens terug naar mijn bed in die vroege ochtend van 12 juli 1977. Nu, drie weken na Keulen, zullen vele mannelijke asielzoekers, in bed liggen met dezelfde gevoelens van vernedering. Voor elke jonge mannelijke asielzoeker met verkrachtingsfantasieën zijn er honderden jonge asielzoekers die walgen van dat gedrag. Maar ze zijn potentiële verkrachters, als je de meeste politici moet geloven.

Zij komen uit culturen waar geweld tegen vrouwen normaal is., wij doen dat niet, is het vaste vertoog dezer dagen. “Ze hebben zich aan te passen. Wij zijn West-Europa. Wij zijn beschaafd.” Het zijn niet de woorden van een dolgedraaide moslimhater, maar die van Mark Rutte, premier in Nederland. Het land waar volgens Iva Bicanic, hoofd van het Centrum Seksueel Geweld, één op de acht vrouwen eens in hun leven verkracht werd, meestal door bekenden.

Bicanic zegt uit haar studies en ervaring geen verband tussen daders van seksueel geweld en etniciteit te kunnen detecteren. Dat maakt van Rutten en van alle politici, ook in ons land, waar één op de zes zwangere vrouwen vóór ze zwanger werd geweld ervaren van een partner, in de feiten de echte cultuurrelativisten. Ze kijken naast de statistieken over het grensoverschrijdend gedrag van velen onder “onze” mannen en roemen onze houding tegenover vrouwen zoals die weerklinkt in loffelijke teksten en nette wetten, in volzinnen die verdacht goed lijken op die van onze kolonialistische voorouders.

“Maar”, zullen ze me vanuit hun ivoren toren toeroepen, “je moet toch blind zijn voor de werkelijkheid als je de islam niet als een vrouwvijandige religie brandmerkt?” Zeker. Maar is het de enige religie die mede verantwoordelijk is voor een vrouwgevaarlijke omgeving?

Op de VN-toptien van landen met de grootste waarschijnlijkheid van geweld op vrouwelijke reizigers prijken 5 Latijns-Amerikaanse landen. Je kan dus zonder overdrijven stellen dat het overwegend katholieke Latijns-Amerika voor vrouwen het gevaarlijkste continent ter wereld is. Op nummer 1 staat India, dat vooral door hindoes, boeddhisten en sikhs wordt bewoond.

De ontnuchterende vaststelling is dat wereldreligies stammen uit tijden waar de vrouw als minderwaardig werd bevonden en dat de maatschappelijke weerslag daarvan nog steeds cash betaald worden door de helft van de bevolking.

In alle landen ter wereld is er nog steeds een wereld van de mannen en een wereld van de vrouwen. De verschillen zijn niet in termen van “zij doen het en wij niet” te benoemen maar in gradaties. De van cultuursuprematie bolstaande uitspraken van de westerse politici na de gebeurtenissen in Keulen kunnen best snel opgeborgen worden in dat schattige rococokastje waar in sierlijke letters Hybris op staat.

 

Naschrift

 

Deze tekst verscheen, verkort, in De Tijd van 16 januari 2016.

Zoals ik al verwachtte kwamen er reacties op de sociale media in de trant van “dit is relativeren van Keulen” of “het is zoals zeggen dat zwart werk in Horeca minder erg is omdat er ook zwartwerk is in de transportsector”. Het is voor velen blijkbaar moeilijk om een tekst echt te lezen. Dan vindt men dingen die er niet staan, of zelfs het volstekt tegengestelde van wat er betoogd wordt,  maar die men er persé in wil vinden. Voor de duidelijkheid: het krapuul dat vrouwen verkracht moet gestraft worden.

 

Over de muziek

And Now The Queen van Paul Bley – de video: https://www.youtube.com/watch?v=3Ai63Gz_7X8

Paul Bley stierf een week voor David Bowie en enkele dagen voor Pierre Boulez bij wie ik de eerste keer Edgar Varèse hoorde (die ik dan weer leerde kennen via interviews met Frank Zappa). Zo verloor ik drie muzikale helden in een week tijd. Natuurlijk heb ik alles van Bowie. Dat is nagenoeg onmogelijk met Bley. Hij nam al eens twee albums in één dag op. Bley wordt dikwijls als een free jazzer omschreven. Hij was ook snel druk bezig met computers. Maar hij is vooral een lyrische en briljante impovisator.

And Now The Queen is een compositie van Carla Bley, née Carla Borg, die twee jaar getrouwd was met Paul. Paul Bley heeft steeds een grote bewondering gehad voor het werk van Carla. Al in 1963 waren 5 van de 8 songs op “Footloose” composities van zijn ex. Hij nam twee Carla-hommageplaten: Paul Bley Plaus Carla Bley (1991) in een trio met Marc Johson op bas en Jeff Williams op drums en Hommage To Carla Bley (1993), solo piano.

Wie hem geregeld live zag, zal een paar keer Ictus, Ojos De Gato, Ida Lupino of King Korn gehoord hebben, allemaal songs van haar pen.

Bley nam And Now The Queen drie keer in de studio op. Ik vind de versie op Solo Piano (1988) de intrigerendste: na de bijna hedendaags-klassieke intro komt perfect getimede stilte en dan het thema dat zo nog lieflijker wordt dan het al is. Ik vind het niet op youtube.

De wiki over Paul Bley: https://en.wikipedia.org/wiki/Paul_Bley

Een goede biografie van Carla Bley vind je hier: www.wattxtrawatt.com/biocarla.pdf

Jazzmannen eren hun (ex-)vrouwen. Paul Bley nam een hommageplaat op voor Annette Peacock met Franz Koglmann en Gary Peacock (haar ex). Het zeer aan te bevelen “Annette” verscheen in 1993 op het Hat Art label.

Perre Boulez conducts Varèse heb ik grijsgedraaid. Mooie versie van Amériques vind je hier: https://www.youtube.com/watch?v=xC04YxbhL_I

Maar tijp Boulez en Varèse en Youtube in en je vindt nagenoeg het ganse Varèse-oeuvre.

David Bowie bepaalde voor een groot deel mijn smaak in muziek, mode, film, boeken en attitude. Iets aanduiden uit zijn repertoire is bijna heiligschennis. Daarom koos ik iets uit zijn versmade Tin Machineperiode dat past bij de blog hierboven. In Bus Stop spot hij met godsdienst en de hybris om er klakkeloos in te geloven. Hij doet het eerst in country- en dan in Pixies-stijl.

De video: https://www.youtube.com/watch?v=euhgArTfk0w&list=RDcpL4l1YOp0Y&index=2

De tekst:

There’s a cry that is heard in the city
From Vivian at Pentecost Lane
A shriekin’ and dancing till 4 am
Another night of muscles and pain
I love you despite your convinctions
That god never laughs at my jokes

I’m a young man at odds
With the bible
But I don’t pretend faith never works
When we’re down on our knees
Prayin’ at the bus stop

Now Jesus he came in a vision
And offered redemption from sin
I’m not sayin’ that I don’t believe you
But are you sure that it really was him
I’ve been told that it could’ve been
Blue cheese
Or the meal that we ate down the road
Hallelujah

Hallelujah voor een man die, zoals Tony Visconti, zijn levenslange companion d’art, zei, gans zijn leven en dus ook zijn dood tot een kunstwerk omvormde.

Geplaatst in Geen categorie | 1 reactie

Farao

R-1764733-1241892015_jpeg

Good morning, could I have this shirt cleaned express, please?

Yes, that will be three weeks, dearie.

Three weeks, but the sign outside says 59-minute cleaners.

Yes, that’s just the name of the shop, luv.

Shirt, Bonzo Dog Band, Tadpoles, 1969

Vroeger hoorde je nagenoeg nooit van de bazen van ministeries. Voor de Copernicushervorming heetten ze nog Secretaris-Generaal. Niet dat de meeste FOD-Voorzitters – iemand die hield van groteske en dwaze titels vond ooit dat ministeriebazen Voorzitter Van Het Directiecomité Van De Federale Overheidsdienst moesten genoemd worden – veel in de openbaarheid komen. De meesten vinden dat pour vivre heureux vivons cachés. Sommigen mogen ook niet van hun minister. Maar ik vind dat iemand die zoveel betaald wordt door de overheid niet alleen een onderdeel van de overheid moet beheren maar ook naar buiten moet komen, moet werken aan de branding en beschikbaar moet zijn voor commentaar. Wat vanzelfsprekend is in de privésector, hoort het ook te zijn in de publieke sector. En dus kent nagenoeg iedere journalist in dit land mijn telefoonnummer.

De meeste journalisten die me bellen hebben ondertussen door dat FOD-voorzitters geen secretaris-generaal meer zijn. Dat waren in het beste geval experten in hun domein die traag maar zeker, geholpen door een partijkaart, omhoogschoven tot ze, op een paar jaar voor hun pensioen, op het hoogste schavot terechtkwamen. Ik bezweer het mensen nu al jaren: een organisatie kan alleen goed gerund worden door een manager en dat is per definitie een niet-expert. “Laat nooit de slimste de baas zijn”, zoals mijn copain Tom Auwers het zo mooi uitdrukt.

Toch krijg ik nog geregeld journalisten aan de lijn die me vragen willen stellen over de sociale zekerheid. Dan zeg ik altijd dat ik daar weinig van afweet. “Maar je bent toch de baas van de Sociale Zekerheid?”, vragen ze dan vol ongeloof. Dan zou ik kunnen antwoorden: “Yes, that’s just the name of the shop, luv”. Hoe raar het ook klinkt: onze FOD is amper bezig met sociale zekerheid. Onze grootste dienst is dienstverlening aan mensen met een handicap. Dat is sociale politiek maar geen sociale zekerheid. Onze tweede grootste dienst is de Sociale Inspectie die de regels van Sociale Zekerheid controleert maar het niet is. Sociale Zekerheid speelt zich in ons land af bij de instellingen zoals de RSZ, het Riziv en de RVP.

Maar ik moet journalisten vooral uitleggen dat niemand nog alles weet over sociale zekerheid, over financiën of over justitie. Een goede manager zorgt ervoor dat er een plejade aan experten zijn die gezamenlijk op alle vragen kunnen antwoorden.

Journalisten zijn niet de enigen die de denkfout Voorzitter = Expert maken. Onervaren nieuwe ministers sommeren ons tijdens hun politieke wittebroodsweken steevast op een vergadering over Een Belangrijk Probleem. Groot is hun verbazing als ik dan stel dat niet ik maar mijn expert aanwezig zal zijn. Die expert krijgt dan van mij een brief mee die hij na de vergadering aan de minister overhandigt. Daarin staat wat er de afgelopen uren – belangrijke vergaderingen zijn nooit kort bij de overheid – gebeurd is. De minister gaf een lange inleiding en stelde daarna de vraag “hoe kunnen we dit vermijden?”, waarop alle aanwezige leidende ambtenaren naar hun mobieltje grepen en hun expert vroegen wat ze de minister moesten antwoorden. De volgende jaren zijn dit soort vergaderingen gelukkig bevolkt door experten en worden ze voorgezeten door in het domein beslagen kabinetsleden.

Naast journalisten en ministers is er nog een derde groep met aan wie de overgang Secretaris-Generaal naar manager is voorbijgegaan: vakbonden. Volgens hen heeft de NMBS-operette die we de laatste weken meemaken, veel te maken met het feit dat Jo Cornu niet hoogstpersoonlijk de gesprekken meemaakte. Vakbondsmensen verslaan politici met lengten in lange vergaderingen, die meestal eindigen in afspraken om ooit nog eens samen te komen. En ze willen altijd dat de baas van de organisatie aan tafel zit.

De ACOD liet me per brief weten diep ontgoocheld te zijn over mijn afwezigheid op een uitzonderlijk basiscomité met als enig agendapunt de terreurdreiging en de gevolgen voor de personeelsleden. De vergaderingen van het basiscomité worden in onze FOD al jaren voorgezeten door  onze personeelsdirecteur. Maar nu was omwille van de belangrijkheid van het agendapunt mijn aanwezigheid opeens broodnodig. Ongetwijfeld zou ik met mijn onmetelijke wijsheid onmiddellijk geweten hebben hoe de terreur een dodelijke slag kon toegebracht worden. Vroeger dacht ik dat telkens als het ACOD me een farao noemde, dat spottend bedoeld was maar blijkbaar geloven ze echt in mijn wonderlijke krachten. Jean-Claude Heirman, die de vergadering voorzat, was niet alleen perfect gemandateerd – dat iemand die namens het directiecomité op een vergadering zit altijd een mandaat heeft is iets wat het ACOD na al die jaren blijkbaar niet kan begrijpen – maar is ook deskundiger dan ik in dat soort zaken.

“Mijn organisatie zal het personeel op de hoogte brengen van de inhoud van deze brief” is de fijnzinnige slotzin van de ACOD-brief. U doet uzelf te kort, beste ACOD. Ik vind dat gans België moet weten waar jullie mee bezig zijn. Ik wens jullie een gelukkig 1988.

Naschrift

Deze tekst verscheen, weliswaar kerstelijk ingekort, in De Tijd van 2 januari 2016.

De ACOD-brief:

ACOD-Brief 001

De video van de goddelijke Bonzo’s: http://tinyurl.com/popnunm

In 1969 noemden ze zichzelf Bonzo Dog Band omdat DJ’s hun tanden braken op Bonzo Dog Doo-Dah Band. Natuurlijk moesten ze daar zelf vreselijk mee lachen: http://tinyurl.com/hm5dgry

De Bonzo’s waren voor rock wat Monthy Python voor televisie was: je wist niet wat je zag en hoorde. Ze waren even wereldberoemd in 1968 toen ze een hit hadden met I’m The Urban Spaceman: https://www.youtube.com/watch?v=xVr2hbE6aW0 die geproduced was door ene Apollo C. Vermouth in het werkelijke leven Sir James Paul McCartney. De Bonzo’s waren hem getipt toen the Beatles op zoek waren naar een crazy act voor hun film Magical Mystery Tour. John Lennon was niet geïmponeerd – “well, Lennos was really up his own ass, basicly” – maar de man die tot zijn dood met de Bonzo’s bevriend bleef was George Harrison, niet voor niets de grappigste Beatle. Hij zette Neil Innes, de beste songwriter van de Bonzo’s, aan om een persiflage album over de Beatles te maken. Dat werd The Rutles. Het was zo’n succes dat er zelfs een film van kwam, vanzelfsprekend gefinancierd door George. George kreeg hierdoor nog meer zin in filmproducing en stichtte HandMade Films die ons Monty Python’s Life of Brian, Time Bandits, Withnail and I and Lock, Stock and Two Smoking Barrels bracht. Neil Innes herschiep alle Beatlesalbums. Ze zijn allen op youtube terug te vinden. Let It Rot is de beste. Het beste Lennonnummer John never wrote was van Innes, Cheese And Onions: http://tinyurl.com/hbjdb4q al zijn er nogal wat die zijn I’m The Walrus-interpretatie nog hoger inschatten. Piggies in the Middle: http://tinyurl.com/hgxoaoa

The Bonzo’s over The Beatles: http://tinyurl.com/jdwzogb

De grootste Britse komieken staken hun waardering voor de Bonzo’s niet weg: http://tinyurl.com/zn96kdc

De OpperBonzo was Vivian “If I had all the money I’ve spent on drink — I’d spend it on drink” Stanshall. De BBC4 documentaire toont aan welke speciale man hij was: http://tinyurl.com/hpcd8xq Als je er, zoals ondergetekende, nooit genoeg van krijgt: http://tinyurl.com/h5txzjd

Alles wat de Bonzo’s maakten was grappig. Maar ze waren briljant als ze Elvis parodiëerden. Met Shirt kreeg je al een voorsmaakje maar Canyons Of Your Mind is hun hoogtepunt: https://www.youtube.com/watch?v=JH59ZILMmL0

De band Death Cab For Cutie haalde hier haar naam: http://tinyurl.com/oltda22

Tik gewoon Bonzo Dog in op Youtube en je vindt tientallen juweeltjes zoals The Equestrian Statue http://tinyurl.com/z7vrtj2. They brighten up your day (if it’s grey).

 

 

 

 

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Kattenkwaadheid

chip

 

Don’t do unto others what you don’t want others to do unto you

Behind walls, behind bars, behind scars, reaching out to you

We have been too long on the borderline

Not enough love, not enough time

We have been too long in the yours and mine

Just not enough kindness on the borderline

Merry F’n Christmas, Chip Taylor, The Little Prayers Trilogy

“Wij zijn geen failed state. Stop daarmee! ”, roept men me via Facebook toe. Als iemand als Marleen Temmerman me daartoe aanspoort, zwijg ik vanzelfsprekend met gepaste deemoed. Zij heeft niet genoeg te prijzen werk verricht in landen waar er amper iets van een staat te merken viel.

Maar ik legde de afgelopen weken mijn oren te luisteren in het internationale netwerk dat ik via mijn opdracht leerde kennen en wat ik daar over ons land te horen kreeg, kwam toch aardig in de buurt van een staat die niet in staat is efficiënte beslissingen te nemen.

Tot een paar jaar geleden, met als hoogtepunt de periode waarin Herman Van Rompuy aantoonde dat niet hij, maar zijn critici natte dweilen waren, werden onze toppolitici in die middens beschouwd als slimme compromismakers. Van hun competenties werd maar wat graag gebruik gemaakt.

In 2010 vond alleen een clown als Nigel Farage België “niet eens een echt land is”, nu hoor ik het in de gangen van internationale instellingen zeggen door mensen die je er niet van kunt verdenken ons land niet te kennen. Ze frequenteren Brussel, en niet alleen de Europese buurt,  vele keren meer dan de modale, en dus Brussel-averse,  Vlaming.

De meest voorkomende analyse is dat de Belgische federale staat een lege cocon is die, in het beste geval dan nog, mag bemiddelen tussen supermachtige gemeenschappen die elkaar geen akkoord gunnen. Het onwaarschijnlijke schouwspel waarbij Vlaanderen, Wallonië en Brussel zes jaar lang bakkeleiden over hoe de beperkte beslissingen van de  Klimaatconferentie van Kopenhagen in 2009 moesten uitgevoerd worden, zal hen niet snel van idee doen veranderen.

De meeste buitenlandse collega’s zijn niet tegen een gedecentraliseerde staatsinrichting. Maar de  voorwaarde is wel dat aan het opdelen van de macht tussen regio’s en de centrale staat het subsidiariteitsprincipe ten grondslag ligt.  Bruutweg komt dat principe neer op : breng de bevoegdheden naar het niveau waar de burger er het best mee gediend wordt. Vele Basken, Schotten en Vlamingen en het gros van hun partijen hebben niets met het subsidiariteitsprincipe: wat we zelf doen, doen we beter, vinden zij.

Ik raad je aan dit niet te hard te poneren mocht je Jan (spreek uit: Ijan, want hij is Deens) ontmoet. Jan rijdt geregeld met de wagen vanuit het zuiden van Frankrijk naar het noorden van Denemarken. “De wegsituatie in Frankrijk, Nederland en Scandinavië is al volop eenentwintigste-eeuws”, vertrouwde hij me toe, “want  daar werden de snelwegen opnieuw ingericht, verbreed en uitgerust met trajectcontrolesystemen die de pakkans tot 100% optrekken. Daardoor zijn in korte tijd ook de meest ongelikte wegberen tot plichtsbewuste chauffeur s omgetoverd”. Vlaanderen is voor Jan synoniem van een in de vorige eeuw gestrand stuk Europa met gegarandeerd fileleed en wild gesticulerende en manoeuvrerende, gestreste mensen die elkaar frequent een royale blik op hun middenvinger gunnen.

“Kreeg Vlaanderen daarvoor autonomie?”, vroeg Jan me onlangs op ongelovige toon. Daarmee echode hij Walter Pauli, die jaren geleden al, nog voor we geconfronteerd werden met het woord overkappingsintentant en na alweer een onverkwikkelijke episode in het Antwerpse Ringverhaal, schreef dat Vlaanderen België niet meer nodig heeft om zich belachelijk te maken.

In het laatste gedeelte van de langste regeringsonderhandelingen die ons land ooit kende, die periode dat “Quid NV-A?” “de NV-A kwiet!” (iedereen begrijpt dezer dagen toch Bevergems?) geworden was, en men het communautaire debat wilde doven via, jawel, een staatshervorming, werd me gevraagd wat er moest gebeuren met de federale bevoegdheden voor mensen met een handicap.

Mijn advies was: ofwel vind je dat die regelgeving dicht aansluit bij de sociale zekerheid en dan laat je het beter federaal, ofwel vind je dat dit thuishoort bij de persoonsgebonden materies en dan wordt het beter geregionaliseerd.

Daarna keek iedereen rond de tafel opvallend sip. Ze wilden instemming met hun ideologische zekerheid. Dat gaf ik ze niet. Waarom zou ik kiezen tussen kampen die rampzalig zijn voor de burger, die van de verwoede federalisten en die van de verbeten Jakobijnen? Neen,  Ik  paste gewoon het subsidiariteitsprincipe toe.

Wat ik vreesde, gebeurde ook: men regionaliseerde brokjes van de reglementering . Het gevolg hiervan is dat geen enkele burger nog weet tot welke instantie zich te richten en dat een pak van onze mensen juridisch naar de regio’s verhuizen maar in de feiten nog  jarenlang bij ons zullen blijven. De  regio’s zijn namelijk niet klaar om de bevoegdheden over te nemen. Wallonië spant de kroon. Bij gebrek aan afspraken is het zelfs niet zeker dat arme, gehandicapte mensen daar in januari hun tegemoetkoming zullen ontvangen.

Ik wens vrede aan alle politici van goede wil. En aan de anderen, voor wie de kleur of de taal van de kat belangrijker is dan zijn capaciteit om muizen te vangen, wens ik lange nachten met door massa’s woedende burgers bevolkte nachtmerries.

Naschrift

Deze tekst was de kerstcolumn in De Tijd van 19 december 2015

Chip Taylor ‘s Merry F’n Christmas op youtube: http://tinyurl.com/pa4ebbq

Laat Chip Taylor een belletje rinkelen? Oude knarren herinneren hem misschien nog als songschrijver. Een greep:

troggs

Wild Thing http://tinyurl.com/j7rvsky die een nummer 1-hit werd voor de Troggs in 1965,

angel

Angel Of The Morning van Merrilee Rush (1968) http://tinyurl.com/zg6o7wu ,

janis

Try (Just a Little Bit Harder), één van de hoogtepunten op Pearl van Janis Joplin (1971) http://tinyurl.com/jy9tetx

hollies

I Can’t Let Go voor The Hollies in 1966 toen nog met Graham Nash, al is het Tony Hicks die de lead vocals voor zijn rekening neemt http://tinyurl.com/hxb2tph

Emmylou Harris

Chip Taylor was en is niet echt een popschrijver maar een countryman. Ook het wondermooie Son of a Rotten Gambler van Emmylou Harris (Cimarron 1981) is van zijn hand http://tinyurl.com/hmrl365

MI0002810443

In 1996 nam hij Hit Man op, een album met door anderen bekend geworden nummers.

Wild Thing http://tinyurl.com/hovyj8y

Angel Of The Morning http://tinyurl.com/gs7fwle

Son of a Rotten Gambler http://tinyurl.com/h9oze6d

MI0000257670

Chip Taylor zelf had nooit een hit in Europa maar in de USA verkochten zijn albums redelijk. Met Chip Taylor’s Last Chance van 1970 leek hij even de doorbraak als zanger nabij maar dan ebde de aandacht van het publiek weg. De titel van het album was dus erg voorspellend. De hoes ook want hij werd een professional gambler specializing in blackjack and horseracing handicapping.

In 1993 begon hij weer op te treden en op te nemen. Eind 2014 kwam The Little Prayers Trilogy uit, een album dat in alle opzichten grandioos te noemen is: drie cd’s, de opzet en de kwaliteit. Een must voor wie voordien viel voor de American Recordingsreeksvan Johnny Cash.

Chip Taylor’s echte naam is James Voight. Waarschijnlijk nam hij een nom de plume aan om niet steeds vragen te krijgen over zijn bekendere broer, de acteur Jon Voight. Hij is de nonkel van Angelina Jolie en James Haven.

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Uuflakke

Michel Petrucciani on the concert stage in February 1993.

Michel Petrucciani on the concert stage in February 1993.

Let our love take wing some midnight

 ‘Round midnight

 Let the angels sing

 For your returning

 Let our love be safe and sound

 When old midnight comes around

‘Round About Midnight, Michel Petrucciani , Stuttgarter Jazztage, 1993

Vanmorgen viel ons dienstcheckmeisje helemaal over haar toeren bij ons binnen. Ze had een slapende jongeman op straat aangetroffen. Letterlijk op straat. Tientallen auto’s in de Gentse ochtendspits laveerden er langs.

Op dat uur van de dag, net voor achten, kan het niet anders of  er waren ook al een pak voetgangers, dedaigneus of angstig, langs de jongen heen gelopen. Maar niemand had gedaan wat ons dienstcheckmeisje had gedaan: naar de jongen toegestapt.

De jongeman was amper uit zijn slaap te wekken. Toen dat toch lukte, bleek dat hij daar al uren had gelegen. Niet dat hij dronken was, hij dronk nooit, zei hij. Alcohol maakt hem instant ziek. Maar hij was wel de ganse nacht met vrienden uit geweest. Hij kon slapen op het kot van zijn oudere zus die hem een reservesleutel had gegeven maar die was hij ergens in de nacht verloren.

Doodmoe en tegen het ochtendgloren had hij haar deur teruggevonden. Maar op zijn bellen en kloppen kwam geen reactie. Hij was tegen de gevel gaan hurken en was ingedut. Misschien sliep hij daar tegen die gevel even gelukzalig als Eskimo’s kunnen slapen in de poolnacht die, als ze niet opletten er, naar verluidt, ook gelukzalig inslapen. In gedachten zie je hem, zich zacht zuchtend diep in zijn deugddoende droom, draaien en nog eens draaien tot hij nietsvermoedend op straat lag, waar auto’s hem ternauwernood konden ontwijken.

“Hij was al een beetje onderkoeld”, zei ons dienstcheckmeisje, “dus ik stelde hem voor even bij te warmen in mijn auto. Zijn GSM was plat. Ik gaf hem die van mij. Maar hij kon niemand bereiken. Dus zette ik hem af bij de bakkerij op het hoekje.”

Het deed me denken aan een andere slapende man. Het was juli, warm en weer feest bij Franske, die altijd al graag feestte maar vooral die eerste dinsdag van juli. Dan nodigt hij iedereen uit die hij niet haat – Franske houdt van evenwicht  maar niet van het midden – in zijn buitenverblijfje, een klein hoevetje diep verscholen in het voorgeborchte van de Vlaamse Ardennen. Culinaire hoogstandjes zijn er niet. Uufflakke (preskop) met Tierenteynmosterd is het hoofdgerecht. Maar aan drank is er nooit gebrek. Dat was de man in het XXL-Greenpeace-T-shirt, die de mosterd vakkundig te lijf ging met Ename-witbier, niet ontgaan.

De wijn was middelmatig. Dus moest ik mezelf niet echt geweld aandoen om er niet veel van te drinken. Zo ongeveer rond middernacht sloop ik, blaasproof, weg – afscheid nemen van het steeds uitzinniger wordend gezelschap rond het legendarische kampvuur zou uren duren –  naar de weide die op iedere eerste julidinsdag tot parking wordt gepromoveerd. Als ik haastig ben, rij ik al weg terwijl ik de lichten aandraai. Maar ik moet erg rustig geweest zijn die avond want ik ontstak eerst de lichten en zag, vlak voor mijn auto, de man in XXL T-shirt gelukzalig liggen slapen. “This Body’s In Danger” stond op het T-shirt.

Terwijl het dienstcheckmeisje ijverig stofzuigt, lees ik in alle kranten dat in deze donkere maand honderden vluchtelingen wier body en dat van hun kinderen, hun vrouw of hun man, in danger is geweest, geen onderkomen vonden in het winterse Brussel omdat ze zich niet mochten  aanmelden bij de Dienst Vreemdelingenzaken. De zoektocht naar beschutting tijdens de winternachten zal voor de meesten onder hen nog minstens drie weken duren, tot zo ongeveer rond de geboortedag van het kind wiens vader 2015 jaar geleden ook overal werd weggestuurd.

Net zoals de automobilist en voorbijganger die zich naar de job spoedt en geen tijd heeft voor een slapende jongeling, laveert de regering behendig rond het probleem, niet langer gehinderd door journalisten en camera’s die het te druk hebben met terreur en snoezige poezen. Gelukkig zijn er in ons land nog veel mensen, niet alleen van goede wil, maar ook met het warme hart van een dienstcheckmeisje. Ze helpen wanhopige mensen, die een moordend regime ontvluchtten en nu geconfronteerd worden met kille realpolitik, aan bed, bad en brood. Belegd, hoop ik van ganse harte, met een flink stuk uuflakke.

 

Naschrift

Deze tekst verscheen in De Tijd van zaterdag 5 december 2015.

Video ‘Round About Midnight van Michel Petrucciani op de Stuttgarter Jazztage in 1993: https://www.youtube.com/watch?v=lUxQLU_eqfU

‘Round Midnight is één van de meest gecoverde songs aller tijden. Raar eigenlijk als je ziet dat het geschreven is door Thelonious Monk, de weerbarstigste bluenotecomponist uit de jazzgeschiedenis (na Henri Threadgill). Het nummer werd voor het eerst opgenomen door Cootie Williams and His Orchestra in 1944. Hoewel Williams niet als componist bijdroeg aan het nummer, werd hem wel deze eer toegekend. Later voegde Bernie Hanighen er ook tekst aan toe.

Monk nam ettelijke versies van zijn bekendste compositie op:

De oorspronkelijke versie op Blue Note (1947): http://tinyurl.com/n3z4765

Een intrigerende solo pianoversie: http://tinyurl.com/oatlsba

In jazzkringen is de beroemde versie die van Miles Davis, te vinden op het album met die titel uit 1957 met Philly Joe Jones, Paul Chambers, pianist Red Garland, en de toen nog betrekkelijk onbekende John Coltrane : http://tinyurl.com/pdrmzfd

De beroemdste gezongen versie is die van Ella Fitzgerald uit 1962 met pianist Lou Levy, guitarist Herb Ellis, bassist Joe Mondragon, en drummer Stan Levey) op haar album Clap Hands, Here Comes Charlie! http://tinyurl.com/qxo8bfh

Ook gezongen: Freda Payne (ja, zij die in 1970 een reuzehit had met Band Of Gold http://tinyurl.com/cq2cogr ) nam ‘Round Midnight op voor het Prestige!-meesterwerk After The Lights Go Down Low (1964)

Als je hiervan houdt, mis dan de souljazzversie niet van Marlena Shaw op Elemental Soul (1997) http://tinyurl.com/nt8cnbr

Robert Wyatt maakte er, met zijn kronkelige stem, een bevreemdend nummer van:  http://tinyurl.com/o6kbr49 Het was de B-kant van het onwezenlijk mooie Shipbuilding (Elvis Costello) met Chet Baker in één van laatste solo’s.

Round Midnight is ook de titel van film uit 1986 van Bertrand Tavernier met Dexter Gordon in de hoofdrol en François Cluzet and Herbie Hancock. Martin Scorsese, Philippe Noiret and Wayne Shorter in cameos. Herbie Hancock was musical director. Op de echte soundtrack The Other Side of Round Midnight staat een magnifieke versie met een uitstekende Dexter Gordon in zijn latere jaren. Het volledige album: http://tinyurl.com/gve862o

De geneuriede versie op de andere soundtrack Round Midnight is te gepolijst: http://tinyurl.com/jxknulk

Het is onbegonnen werk om een keuze te maken uit de versies. Een zeer subjectieve greep:

Bugge Wesseltoft (minimalistisch) op zijn album Trialogue (2014) (geen video gevonden)

Philip Cathérine (vertraagde Django) op Summer Night (2002) (geen video gevonden)

Kenny Burrell (intimistisch) op Pieces Of Blue And The Blues (1986) (geen video gevonden)

Adrián Iaies (bandoneónistisch) op Round Midnight Y Otros Tangos (sic): http://tinyurl.com/gwkuza7

Mal Waldron & Steve Lacy waren allebei gek op Monk. Ze traden in 1981 samen op in het Drehertheater. Natuurlijk stond Round Midnight op de playlist. Te vinden op Live At Dreher – Paris 1981, Round Midnight, Volume 2. Onweerstaanbaar voor die-hard jazz-fans (geen video gevonden)

Een jaar later vonden ze het nummer opnieuw uit: At The Bimhuis 1982 (pas in 2006 uitgebracht)

Joe Henderson (souplesse) op The Standard Joe (1991) (geen video gevonden)

Keith Jarrett & Charlie Haden (rare, bijna huppelende intro) op Last Dance (2014) http://tinyurl.com/jh6ol86

Eric Reed is verslaafd aan ‘Round Midnight. Een eerste keer nam het op voor From My Heart (2002), herviel al in 2003 (Cleopatra’s Dream) http://tinyurl.com/jdgxbgq en maakte in het begin van deze eeuw een Monktrilogie, The Dancing Monk (2011), The Baddest Monk (briljant gezongen door by José James – ” who revamps the melody with his velvety baritone”- http://tinyurl.com/zkp2lkr ) (2012) en The Adventurous Monk (2014) met telkens een versie van ‘Round Midnight.

Even vloeken in de jazzkerk. De interpretatie van Esbjörn Svensson op Esbjörn Svensson Trio Plays Monk (1996) maakt me altijd weemoedig, al kan dat ook te maken hebben met die kamermuziek en de tragische dood van de innemende man http://tinyurl.com/qbbumje

Laten we eindigen met een pluim voor de na al die decennia nog steeds inventieve pianist met die heerlijk misleidend adelijk klinkende naam Alexander von Schlippenbach. In 2003-4 nam hij alle composities van het eccentriek genie Monk op. Je vindt het op het majestueuze driedelige Monk’s Casino (2005) uitgegeven door Intakt Records. Bemsha Swing is één van de vele hoogtepunten http://tinyurl.com/plngoss

von Schlippenbach had al in 1997 een fabuleuze versie van Round Midnight neergezet op Schlippenbach Plays Monk met Ino Nobuyoshi op bass en Sunny Murray op drums http://tinyurl.com/q6u8gfx

von Schlippenbach eert zijn meesters. In 2014 nam hij, samen met zijn vrouw/soulsister Aki Takase de wondermooie homageplaat So Long – Eric! op voor de jong gestorven Eric Dolphy. Als je diens Out To Lunch nog nooit hoorde heb je niet echt geleefd. Aki en Alexander vertellen je hier hoe hun magie werkt: http://tinyurl.com/opum3bz

 

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Vijlstaat

Neil Young

It can change you in the middle of the day
And though your confidence may be shattered
It doesn’t matter

And all the bush league batters
Were left to die out on the diamond
In the stands, home crowd scatters
For the turnstiles
For the turnstiles
For the turnstiles
For the turnstiles

For The Turnstiles, Neil Young, On The Beach, 1974.

Bedankt Gwendolyn Rutten, John Crombez , Servais Verherstraeten en Kristof Calvo. Jullie hebben me, na jullie twee duo-interviews in De Ochtend  weer wat geloof in politici gegeven na een week van ondermaats politiek gedrag.

Het bloed in de Parijse straten was nog niet gestold of het gebruikelijke zwartepieten begon met als volstrekte dieptepunt de scheldpartij tussen Françoise Schepmans, burgemeester van Molenbeek en Philippe Moureaux (PS), oud-burgemeester.

“Toen ik burgemeester was, waren er geen aanslagen” zei Moureaux, die gedurende twintig jaar de samenlevingsproblemen en radicalisering in zijn gemeente ontkende en iedereen die hem daarop aansprak voor fascist uitschold.

Voor Schepmans was het allemaal de schuld van Moureaux, de man die ze jarenlang als schepen diende. Ik vraag me af of ze soms eens in de buurt van de Ninoofsepoort rondloopt. Toen daar in januari 2014 zomaar een 24-jarige man werd neergeschoten, zei ze dat ze dat zich daar niet durfde vertonen. Te gevaarlijk. Je kan even goed zeggen dat de man het zelf zocht door er ’s nachts rond te lopen. Een droomburgemeester dus.

Nog maar net had Minister van Binnenlandse Zaken Jan Jambon het aloude maar logische voorstel opgeduikeld  om Brussel eindelijk als één stad te laten besturen met één politiemacht of daar dook Rudi Vervoort op met zijn doordachte analyse. “Geen goed antwoord op Parijs”, zei hij, bang als hij is dat de Brusselse Burgemeester-baronieën door de moderniteit worden ingehaald.

“Er moet “nabijheidspolitie” zijn, was zijn ultieme argument. Alsof er geen “police de proximité” is in Parijs of “community policing” in London.  Vervoort kent dus amper iets van politie. Veel van de realiteit ook niet, vrees ik: er is nog amper wijkpolitie in Molenbeek. “De laatste wijkagent in Kuregem is er enkele jaren geleden mee gestopt omdat hij te veel bedreigingen kreeg”, merkte criminoloog Brice De Ruyver koeltjes op in deze krant.

De politique politicienne blijft niet beperkt tot België. Afgelopen dinsdag jouwde rechts in de Franse Assemblée de regering uit en in Le Monde haalde Sarkozy hard uit naar Hollande. Diezelfde Sarkozy, die al in 2005 de oplossing kende voor  de samenlevingsproblemen in de Parijse banlieues. “Dès demain, on va nettoyer au Karcher la cité”. Tien jaar later weergalmt Jan Jambon zijn boodschap: Molenbeek moet opgekuist worden.

Je ziet het telkens weer opduiken na het soort calamiteiten dat Parijs, en wij dus ook, meemaakten: de broehaha retoriek van politieke alfamannetjes. “We gaan het terrorisme vernietigen”, hoorde we de stem van Hollande zeggen terwijl de rest van zijn lichaam “ik weet het ook niet meer” toonde. Dat beloofde Bush Junior ook heel snel na 9/11. Hij vond in die belofte een reden om Irak binnen te vallen. Nochtans maakten Saudi’s de meerderheid uit van de 9/11-terroristen, maar ja, de Saudi’s zijn dikke vrienden van het Westen.

Die Iraakse inval was een briljant idee. Het leidde tot een rij failed states in het Midden-Oosten, de opkomst van IS en de aanslagen in Parijs. Het zorgde ook voor de excessen in de  Abu Ghraibgevangenis en de rechteloosheid van  Guantanamo. Niemand in het Amerikaanse parlement durfde zich tegen de Patriot Act verzetten na 9/11. Ze vreesden de woede van het volk. Zoals ook onze oppositie nu zwijgt over de gevaren van de intrinsiek goede beslissingen die de regering Michel donderdag aankondigde.

Het onbelgisch resolute van de nieuwe anti-terrorismemaatregelen is het directe resultaat van de internationale branding van ons land als failed state.

Van de ene dag op de andere vervagen onze veiligheidsdiensten en onze politie van helden (na Verviers) tot de risée van het westen. Nochtans boksen de diensten van Catherine De Bolle en Jaak Raes, allebei klasbakken die na jaren van niet-leiderschap een verademing zijn voor hun mensen, zwaar boven hun gewicht.

Dat heeft alles te maken met jarenlange lineaire besparingen. Vooraleer mijn mailbox weer volloopt met scheldpartijen: ik ben absoluut voorstander van het verlagen van het overheidsbeslag. Maar mag dat gebeuren met enige intelligentie? En vooral, met enige moed. Lineaire besparingen zijn laffe besparingen. Politiek is kiezen, niet overal procentjes afvijlen.

De afgelopen jaren, met nagenoeg alle partijen in de regeringen, is er nooit gekozen en dus moesten alle ministeries, maar ook veiligheidsdiensten en politie, lineair besparen. Wanneer blijkt dat er nagenoeg niemand bij de Staatsveiligheid Arabisch begrijpt omdat er amper kon gerekruteerd worden onder regeringen wier belangrijkste besogne” minder ambtenaren” is, kijken ministers verwonderd op. Dat heet magisch denken: blind besparen en denken dat er geen gevolgen zullen zijn.

Al jaren weten overheidsmanagers niet over welke kredieten ze de volgende maanden zullen beschikken. Ja, ergens in het begin van het jaar legt het parlement onze kredieten vast. Maar na de zomervakantie is het wachten op de omzendbrief die bepaalt dat de leidende ambtenaar enkel nog beslissingen kan nemen die minder dan 8.500 euro kosten. Exclusief BTW. Boven 8.500 beslist de inspecteur van financiën. Iemand die nooit verantwoording voor zijn beslissingen moet afleggen, mag dus naar goedvinden beslissen over  het beleid van mijn organisatie. Hij moet nagaan of de uitgave “samendrukbaar” is, newspeak voor “het kan uitgesteld worden”. Onder een vorige regering vond een inspecteur van financiën dat het winterplan voor daklozen tot de volgende lente kon worden uitgesteld. Samendrukbaarheid kreeg bij nogal wat administraties een andere, eerder laaglichamelijke betekenis toen bleek dat hun inspecteur van financiën de aankoop van WC-papier blokkeerde. Waarschijnlijk dacht hij dat ook dit proces kon gedigitaliseerd worden.

Boven 31.000 euro beslist de Minister van Begroting, die dus moeiteloos ieder initiatief van de Minister van Sociale Zekerheid, de Minister van Pensioenen, de Staatssecretaris tegen Sociale Fraude en de Staatssecretaris voor Mensen met een Handicap, kan torpederen.

In 2006 viel die omzendbrief binnen op 13 december. Nu was het midden september. Binnen 4 jaar komt de omzendbrief nog voor het parlement onze kredieten goedkeurt. Het valt blijkbaar geen enkele parlementair op dat de kredieten die ze bij wet goedkeuren bij omzendbrief aangepast worden door de uitvoerende macht.

Deze gang van zaken klaagden Tom Auwers en ondergetekende al aan in 2011 toen ons land 541 dagen regeringloos was. Toen werd ons gezegd dat die onzinnige procedures eigen waren aan Lopende Zaken. Na de regeringsvorming zou het allemaal veranderen. Inderdaad, het veranderde: de maatregelen worden nu ook onder een zittende regering opgelegd.

En zelfs als de overheidsmanager over zijn kredieten kan beschikken, duurt het een eeuwigheid vooraleer hij die ook kan uitgeven. Niet alleen moet eerst een inspecteur van financiën en een vastlegger van kredieten de uitgave goedkeuren, maar daarna moet hij door de tijdverslindende procedure van openbare aanbestedingen, een black box waaruit slechts zelden de beste aanbieder als winnaar tevoorschijn komt. Nu zal de regering die wet onder de loep nemen, maar alleen voor toekenningen aan advocatenbureaus, want het is niet de bedoeling de werking van de overheid efficiënter te maken maar Minister Galant uit de wind te zetten.

Governance is een onbekend begrip bij federale politici. Dat valt nu extra op bij de bespreking van de bestuursovereenkomsten die overheidsinstellingen moeten afsluiten met de regering. Van ons wordt verwacht dat we ambitieuze doelstellingen voorstellen aan  de regering die niet wil beloven dat ze de kredieten die daar voor nodig zijn zal voorzien. Met andere woorden: geen enkele leidend ambtenaar kan een langetermijnplanning maken en dus moet je met een straf vergrootglas zoeken naar strategie in ons federaal bestel.

Mensen zoals de gebroeders Abdeslam krijg je enkel op de radar vóór ze in het wilde weg mensen wegmaaien, als je over strategische vangnetten beschikt. Maar de investeringskredieten voor die vangnetten worden al jarenlang lineair weggevijld. Al die tijd was vijligheid belangrijker dan veiligheid, En zo schuift de vijlende staat België traag maar zeker naar de status van failed state.

Naschrift

Deze tekst verscheen in een kortere versie in De Tijd van 21 november 2015: bit.ly/1T5bSeu

Het standpunt van Tom Auwers en mezelf uit 2011: http://tinyurl.com/plm5xd3

De Neil Young-video van For The Turnstiles: http://tinyurl.com/nm9qz4j

On The Beach is één van de meest onderschatte albums van Young met pareltjes als Vampire Blues (I’m a vampire, baby, sucking blood from the earth), See The Sky About To Rain en Revolution Blues.

Van het sublieme nummer zijn er goede tot schitterende versies:

  • Americanaveteraan Jim Byrnes zette het nummer op zijn album Fresh Horses in 2009 (geen video gevonden maar staat wel in iTunes)
  • The Be Good Tanyas deden dat ook, met raar stemmetje, op hun Hello Love (2006): http://tinyurl.com/pnornn8
  • Amy Annelle’s versie op The Great Unveiling (2012), de titel is een fragment uit de turnstiles-tekst (zie onderaan), is een must voor mensen zoals ik die verslingerd zijn op slide guitar (geen video gevonden maar staat wel in iTunes). Voor Amy heb ik het grootste respect en wel hierom: http://www.highplainssigh.com/?section=news
  • Mars Arizona brachten het nummer terug tot zijn country-bron op het album High Desert (2010).
  • Josh Rouse stopte een versie weg als B-side van zijn In The Nighttime-single (geen video gevonden, ook niet op in iTunes)
  • Zelfs onze eigen Americanist The Bony King Of Nowhere waagde zich eraan:  http://tinyurl.com/pagufg9
  • Bim Skala Bim zorgt voor de gekste versie: ska from Boston. http://tinyurl.com/peqb526
  • De beste versie (sujectief!) is die van Henry Wolfe op zijn Linda Vista (2011) en op de soundtrack van een rockfilm met Meryl Streep (!) Ricki & the Flash [Original Soundtrack]. Bangelijk wrange stem, onheilspellende gitaren en zeer youngiaanse mondharmonica. Van de albumversie is er geen video (staat wel in iTunes) maar op youtube is er de opnameversie, die even intrigerend is: http://tinyurl.com/oo7gxd5

Er zijn nog een pak songs, van Grant-Lee Phillips en Yo La Tengo bv., met die titel, blijkbaar een veel gebruikt gezegde in de US,  maar daar schuilt een ander nummer onder.

De volledige muziektekst:

All the sailors with their seasick mamas
Hear the sirens on the shore
Singing songs for pimps with tailors
Who charge ten dollars at the door

You can really learn a lot that way
It can change you in the middle of the day
And though your confidence may be shattered
It doesn’t matter

All the great explorers
Are now in granite laid
Under white sheets for the great unveiling
At the big parade

And you can really learn a lot that way
It can change you in the middle of the day
And though your confidence may be shattered
It doesn’t matter

And all the bush league batters
Were left to die out on the diamond
In the stands, home crowd scatters
For the turnstiles
For the turnstiles
For the turnstiles
For the turnstiles

 

 

 

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Allerzielen

R-634460-1299299873_jpeg

In the yard, behind the church where

Butterflies and blackbirds perch on

Gray stones as the garden’s growing dim

We will lay down on the ground and

Put our cheeks against the dirt down

Where it no longer matters

Where you’ve been

In The Yard, Behind The Church, Eels, Blinking Lights And Other 
Revelations, 2005

Op vrijdag 19 maart 1954 was mijn papa een gelukkige man. Rond 17 uur schoot zijn idool Rik Van Steenbergen als eerste over de eindstreep van Milaan-San Remo en twee uur later klonken mijn eerste geluiden in het rijzige huis aan de Zerkegemse Dorpsstraat. Het scheelde dus niet veel of ik moest als Rik Van Massenhove door het leven. Maar het woord van mijn mama was wet: het zou Franky worden of iets anders dat eindigt op “y”.

Zo komt het dat de Zerkegemse Lagere Jongensschool in de jaren vijftig en zestig  bevolkt werd door Eddy’s, Freddy’s en Franky’s, die maar wat blij waren dat hun ouders hen niet Hippoliet genoemd hadden zoals die ene stille jongen die nooit bij enig spel betrokken werd.

Ik was gedurende meer dan veertig jaar, toen het thuisbevallen het symbool van progressiviteit werd, het laatste Zerkegemse kind dat thuis was geboren. Dat was een bewuste maar negatieve keuze van mijn ouders. Mijn papa was hulpje bij zijn vader, mijn peppee. Peppee maakte schoenen voor alle Zerkegemnaren, papa herstelde ze. In die tijd had een zelfstandig hulpje geen socialezekerheidstatuut en dus moesten mijn papa en mama bij een bevalling in het ziekenhuis voor alle kosten opdraaien.

Mocht papa er nog zijn zou hij met woedend afgrijzen reageren op de unanieme stelling van alle Republikeinse presidentskandidaten die Obamacare een aanslag op de vrijheid noemen.

Je zou denken dat die omstandigheden mijn mama zenuwachtig voor de bevalling maakten maar dat was buiten Martha Pittonjon gerekend. Mama kende Martha al gans haar leven: ze was de burin van de ouders van haar ouders. Martha had al honderden kinderen ter wereld gebracht. Niet dat ze ooit gestudeerd had voor vroedvrouw. Het was iets dat al generaties lang was doorgegeven van moeder op dochter.

En naast Martha stond dokter Teerlynck, de man die 46 jaar lang de huisdokter van papa en mama zou zijn. Zijn rust en professionaliteit was even legendarisch als zijn chuchilliaanse sigaar, die hem toegeleverd werd door Albert Bogaert, de eeuwige burgemeester van Jabbeke en eigenaar van een sigarenfabriekje. Jaren later zou ik, als baas van een ministerie, zijn kleinzoon, Hendrik, ontmoeten in zijn functie van Staatssecretaris voor Ambtenarenzaken.

Dokter Teerlynck werd als een vriend des huizes beschouwd, ook al kwam hij alleen op bezoek wanneer er iemand ziek was. Je wist niet op welk uur hij zou binnenvallen. Dokter Teerlynck nam zijn tijd om met zijn patiënten te spreken want hij bedreef niet alleen geneeskunde maar vooral veel dienstbaarheid. Hij kende zijn mensen, wist met welke kinderen er problemen waren en waar ze schoolliepen.

Op een zondagvoormiddag in 1977 kreeg ik, toen middenvelder bij Riva Zerkegem, een gemene trap na een in mijn herinnering Messiaanse beweging (al vergeleken mijn ploeggenoten me eerder met een strijkijzer), en bevond ik mij, voor ik het goed en wel doorhad in de dokterskamer van dokter Teerlynck.

De kwetsuur viel best mee en algauw had dokter Teerlynck zijn sigaar opgestoken en vroeg me hoe het ging met de studies. Dat jaar zou ik als jurist afstuderen. Zijn ogen glinsterden toen ik het vertelde. Hij geloofde, net zoals Meester Sanders die me naar de humaniora stuwde, stellig in de noodzaak van democratisering van het onderwijs. Een arbeidskind dat universitair afstudeerde, zoiets maakte hem intens gelukkig.

“Maar je hebt ook een slimme papa”, zei hij. “Ja, zei ik, “maar voor één iets is hij niet slim: hij rookt nog altijd” “Sigaretten!”, riep dokter Teerlynck uit, na een heftige trek aan de sigaar, “zeer gevaarlijk”. “Kankerverwekkend” voegde hij er met gefronste wenkbrauwen aan toe. Ik liet dokter Teerlynck toen beloven dat als er ooit iets was met papa, hoe onschadelijk ook, hij hem de daver op het lijf zou jagen en hem met drang zou aanbevelen om hier en nu met het roken te stoppen.

Een paar maanden later kreeg papa een maagontsteking. Dokter Teerlynck moest niet eens liegen. Papa kwam thuis en zette zijn pakje sigaretten op de schouwmantel waar het nog jaren zou staan. De woorden van dokter Teerlynck sloeg je niet in de wind.

Allerzielen betekende nooit veel voor mij, maar nu ik op een leeftijd ben gekomen waarop ik moet vaststellen hoeveel mensen die veel voor mij betekenden, er niet meer zijn, komen, met het vallen van de bladeren, niet het diepe verdriet en de grote verhalen maar een rustige weemoed en de herinnering aan kleine voorvalletjes.

Zoals die maandag 8 november 1965. Toen zag ik Meester Sanders een volledig opstel van mij op het bord schrijven. Beretrots stapte ik ’s middags ons huis binnen. Daar zat dokter Teerlynck, “die even binnensprong om de bloeddruk van mijn moeder te meten” Een dokter die zichzelf uitnodigde voor een thuisbezoek was toen heel normaal. Met grote trots vertelde ik van Meester Sanders en mijn opstel. Dokter Teerlynck gaf me een vertederend warm schouderklopje. Mijn opstelletje ging over het kerkhofbezoek op Allerzielen.

 

Naschrift

Deze tekst verscheen eerst als column in De Tijd van 7 november 2015.

Video In The Yard, Behind The Church: http://tinyurl.com/pfq4d6w

In zijn latere jaren, toen hij al wijd en zijd als kankerspecialist bekend geworden was, wisselde Dokter Teerlynck zijn sigaar voor de pijp:

Docter Teerlynck 21

In dit huis, waar mijn peppee en mijn memmee zo galant voor poseren, ben ik geboren:

peppee & memme met randjes 001

 

 

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie